Boek InfoVoorbladTitelbladToespraak Maerten van DorpVoorwoordInhoudstafelInhoudAchterblad
De Wijnbouw in Oost-Brabant (Boek I)
Tom Avermaete

3

Voorwoord

Door haar geografische situatie heeft Brabant zich doorheen de tijd altijd al kunnen profileren als tuinbouwregio bij uitstek. Met vallen en opstaan is de mens er steeds weer opzoek gegaan naar technieken en gewassen waarmee hij de lichte bodem en de zacht glooiende hellingen economisch ten nutte kon maken. En dit niet zonder resultaat. Is het niet zo dat de Belgische tafeldruif, de Belgische aardbei of het witloof, dat later heel de wereld veroveren zou, in deze streek aan hun succesvolle opgang begonnen ? Hoe dan ook, de Brabantse tuinbouwspecialisatie is niet zomaar ineens ontstaan. Ze kan buigen op een rijke traditie waarvan de wortels teruggaan tot op een ver verleden, toen de blijde botten van de zoet riekende Leuvense wijngaarden nog vreugdebrengende wijn beloofden. De middeleeuwse Brabantse wijnbouw is echter niet verdwenen zonder haar sporen na te laten. En dit niet alleen in het landschap. Ook de talrijke Brabantse familienamen, straatnamen, gebouwen en kunstwerken kunnen tot op vandaag getuigen van de omvang die deze teelt hier ooit heeft aangenomen. Toch is er nog meer. Wijnbouw leent zich immers, beter dan welk ander gewas ook, tot streekidentificatie. Bovendien identificeren de mensen zich ook met de wijn van hun streek. Is dat trouwens niet de reden waarom men een Fransman niet meer kan kwetsen dan wel door zich minachtend uit te laten over de kwaliteit van de Franse wijn ? Er zijn zelfs sommige wijnkenners die beweren dat ze aan de hand van de wijn de aard inwoners van de streek kunnen kennen. Het hoeft ons dan ook niet te verwonderen dat de wijnbouw ook gebruikt werd voor propagandadoeleinden. Zo werd van de geliefde Keizer Karel bijvoorbeeld verteld dat hij de Hagelandse wijn overal op zijn tochten meenam. Hoe luid deze volksverhalen ook de ronde doen, de archiefstukken zwijgen er in alle talen over. Misschien des te meer een bewijs dat het woord "wijncultuur" in de twee betekenissen kan gebruikt worden. Welke andere teelt zal het haar nadoen ?

4
Een werk over de Brabantse wijnbouw zal daarenboven niet enkel de dorst van historici lessen. Het betreft hier immers een veelzijdige thematiek, waarbij ook geologische, geografische en klimatologische aspecten aan bod komen. Toch is de interesse voor de Brabantse wijnbouw niet nieuw. Al in de vorige eeuw legden historici als Halkin of Serrure voor dit onderwerp heel wat aandacht voor de dag. Bovendien is er de laatste jaren vanuit heemkundige hoek interesse voor de vroegere wijnbouw. Toch beperkten al deze studies, op de werken van Prof. Dr. R. Van Uytven en T.J. Gerits na, zich meestal tot een opsomming van plaatsen waar er vroeger wijngaarden voorkwamen. Zo'n opsomming lijkt ons in het kader van een sociaal-economische studie niet alleen onverantwoord, het is zelfs onmogelijk om hierin volledig te zijn. Het is dan ook mijn stelligste overtuiging dat men zich beter zou toeleggen op de systematische ontsluiting van de archiefstukken, dan wel op het uitkammen van bronnen naar wijngaarden. Het is trouwens kenschetsend dat, alhoewel het onderwerp al meer dan honderdvijftig jaar bestudeerd werd, een diepgaand wetenschappelijk werk of een monografie over de geschiedenis van de Brabantse wijnbouw steeds is uitgebleven. Hiermee is natuurlijk niet gezegd dat deze leemte met dit werk eindelijk wordt opgevuld. Er zijn immers nog vele aspecten die dieper zouden kunnen worden uitgewerkt. Wel hoop ik met dit werk het hele debat over de Brabantse wijnbouw opnieuw richting te geven. Verder dient het ook gezegd te worden dat het niet gemakkelijk was om op twee jaar vertrouwd te geraken met zowel de organisatie van de archieven, de archiefstukken, de paleografie, het muntwezen en de metrologie, als de wijnbouwliteratuur, de Brabantse en de middeleeuwse sociaal-economische geschiedenis. Hoewel ik er mij van bewust ben dat de stellingen die in dit werk worden ingenomen, nog enkele jaren de tijd nodig hebben om te rijpen, acht ik mijn opdracht als volbracht. Ik heb er immers twee jaar, met veel plezier, hard aan gewerkt.

5
Nu het werk bijna voltooid is hecht ik er aan alle mensen te danken die me hebben geholpen. In de eerste plaats Prof. Dr. E. Van Ermen, de promotor van deze thesis, die steeds openstond voor nieuwe ideeën en die mij vanuit zijn vertrouwdheid met de Brabantse geschiedenis steeds weer wist te motiveren om duistere, onbekende paden te betreden en zo mogelijk in kaart te brengen. Verder ook nog een woord van dank aan Prof. Dr. R. Van Uytven en Prof. Dr. L. Van Buyten voor hun interesse en hun kritische bemerkingen bij het tot standkomen van dit werk. Prof. Dr. R. Van Uytven ben ik nog in het bijzonder dank verschuldigd vanwege zijn werken over Leuven in het algemeen en over het verbruik van wijn in het bijzonder. Het is niet overdreven om te stellen dat deze thesis een bijna onmogelijke opdracht zou geweest zijn als ik niet bij tijd en stond had kunnen terugvallen op zijn onderzoek. De vele voetnoten die naar zijn publicaties verwijzen kunnen hiervan getuigen.
Ook wil ik hier enkele van mijn medestudenten bedanken waarmee ik talrijke dagen in stoffige archieven en bibliotheken (en op café) doorbracht : Cindy, Clara, Katrien, Liesbeth, Bart, Bart, Pieter, Ivo en Stef. In het bijzonder wil ik ook nog Koen Van den Bossche bedanken met wie ik in de vakantie twee volle maanden doorbracht in het rijksarchief van Brussel. Doordat zijn eindverhandeling over de Leuvense familie van Wilre qua bronnenmateriaal nauw aansluit bij mijn onderwerp, hebben we samen heel wat problemen kunnen oplossen.
In de laatste plaats, maar daarom zeker niet minder belangrijk, zou ik ook nog mijn ouders en mijn zussen Tine, Tessa en Leen oprecht willen bedanken voor de steun die zij mij gaven. Mijn huisgenoten kijken immers reeds geruime tijd hoopvol uit naar de voltooiing van dit werk en zijn reeds ijverig op zoek naar een oorspecialist om de wijnstokken uit hun oren te laten verwijderen. Zonder hen had ik dit werk nochtans nooit tot een goed einde gebracht. Verder ook nog dank aan Bert Coenen en aan de buren Grobben en Leeman.
Vlierbeek, 13 mei 1996