191
B. Het verbruik van landwijn in de tavernes
De wijn kon natuurlijk ook in een taverne in het klein, "te tappe" verkocht worden. De verkoop van wijn in tavernes was in de 14de eeuw reeds aan strenge reglementeringen onderworpen. Zo mocht geen enkele tavernier zijn wijn zelf tappen; hij was verplicht om hiervoor een "wijntapper" in dienst te nemen. Ook de openingsuren van een taverne waren vastgelegd : "Item elc wijnman die wijn vercoept hi moet sine keldere dore ter straten weert vore op houden smorgens van prochiaen messe tote der cloctijt ende hi en mach binnen sinen huse ghenen wijn vercopen bi slotender dore vander dore des kelders alse si sculdech ware op te sine ende also alse men den wijn ontsleet also moet hi ute gaen ende men en maghen hoghen noch nederen noch den tap in steken het en ware ochte die wijn ontvatende ochte tvat en ware af op ene halve ame wijns ende neghene twee tappe en moghen in enen kelder gaen waer men dat vonde ter goeder waerheit dat vat metten wine ware verloren ende XLV s daer toe". Eenmaal een stuk wijn begonnen was, moest het worden voortgetapt tot er maar een halve ame meer overschot. Pas dan mocht er een nieuwe tap ingestoken worden. Daarenboven moest de tavernier kenbaar maken welke wijn hij verkocht. Dit kon gebeuren door vlaggen. Zo lezen we in het 14de eeuwse rolreglement : "Item wijn van Sente Jans sal hebben ene witte banire ende sal liggen sunderlinge van Rijnschen wine". In 1420 staat er dat de tavernier "met lichten dage ende teken uutsteken ende dien wijn doen roepen". Dit wijnroepen gebeurde door een "wijnsegger" of "wijnroeper", die van 's morgens tot 's avonds aan de voorbijgangers en aan de klerk van de wijnaccijnzen moest bekend maken welke wijn zijn meester op dat ogenblik aan het tappen was. Voor elk nieuw vat dat getapt werd moest hij "...comen ane de clerke vanden wijn ass ende ... hen seggen ende doen bescriven wien hi dient ende wien den wijn toehoirt ende dat sal elc wijnropere doen van elken vate sunderlinge". Op de wijn die te tappe verkocht werd moesten immers "volle accijnzen" betaald worden.
Landwijn werd echter niet enkel verkocht door wijntaverniers. Ook herbergiers konden hun gasten zelf gewonnen wijn voorzetten, al dan niet verwerkt tot "clareyt". In dat geval moesten er natuurlijk ook accijnzen betaald worden. Wijn voor eigen gebruik was dan weer vrij van accijnzen : "Item dat alle herbergiers caberette crudeneren ende alle andere dagelijx geselscape houden van eten ende van drincken ende dien wijn op hare erve wast daer af sal de stat ghissen ende taxeren op hare beste wat dat sij des sliten mogen tot haers selfs behoef ende daer af en selen sij ghenen ass geven mer van allen haren anderen wijnen de hen sijn gewassen daer af selen sij volle ass geven weder dat sij dien selve slyten oft voirt vercopen oft clareyte deraf maecte".