Boek InfoVoorbladInhoudTechniek en verspreidingInleidingTechniekVroege middeleeuwenOost-BrabantBesluitVoetnotenEconomieLeuvenLandwijn : handel en verbruikAchterblad
De Wijnbouw in Oost-Brabant (Boek I)
Tom Avermaete

80

Besluit

In de traditionele wijnbouwliteratuur wordt het ontstaan van de inlandse wijnbouw meestal met veel omhaal ergens gesitueerd in de duistere middeleeuwen of soms zelfs in de Romeinse tijd. Hierbij verliest men echter de historische economische werkelijkheid uit het oog. De aanwezigheid van de wijnbouw is, als uiting van landbouwdiversificatie, immers afhankelijk van de algemene economische ontwikkeling van een gebied op een bepaald tijdstip. Vanuit die wetenschap hoeft het ons eigenlijk weinig te verwonderen dat mogelijke klimaatsverschuivingen waarschijnlijk maar van ondergeschikte betekenis geweest zijn.
Het is pas tijdens de economische heropleving onder de Karolingers, dat men de oudste sporen van inlandse wijnbouw aantreft in Gent, Hoei en Luik. Met de ineenstorting van het Karolingische economie, kwam er vermoedelijk ook een einde aan deze eerste wijnbouwexperimenten zodat de abdijen in de daarna volgende periode wijngaarden dienen aan te schaffen aan de oevers van de Rijn of de Moezel. In de 12de eeuw komt hierin verandering. In Vlaanderen, dat ook economisch vooruit liep op de andere gewesten, komt de wijnbouw het eerst tot ontwikkeling. Het werd hierin gevolgd door Luik. Toch merken we dat de abdijen hun buitenlandse wijngaarden pas op het einde van de 13de eeuw van de hand doen. Vanaf dan wordt de wijnbouw ook in Brabant algemeen.
Als we de toestand in Oost-Brabant van naderbij bekijken dan valt het op dat de aanwezigheid van een rivier, in tegenstelling tot de bodem en het reliëf, doorslaggevend was voor de aanwezigheid van de wijnbouw op grote schaal. Bovendien bevonden de wijngebieden zich allemaal in, of in de buurt van een stad. De wijnbouw had dus nood aan een afzetgebied. Al deze factoren in acht genomen, beschikte de Leuvense wijnbouw over de meeste troeven. De Leuvense wijngaard lag immers vlak bij een grote rivier en in de buurt van een vruchtbare omgeving en een afzetgebied.
Het is vrij opvallend dat de verspreiding van de wijnbouw, in verhouding tot het schaarse bronnenmateriaal, toch vrij goed te reconstrueren is. In de 12de eeuw was vooral de Luikse kerk van belang voor de verspreiding van de wijnbouw. Haar plaats wordt later echter ingenomen door plaatselijke heren, die de wijngaarden in de loop van de 13de eeuw, meestal samen met de parochie, aan jonge Brabantse kloosters en abdijen schenken. Vooral de band tussen de jonge Cisterciënzerabdijen en de wijnbouw valt opmerkelijk goed te achterhalen. Op het einde van de 13de eeuw komt de wijnbouw in Brabant kennelijk in een stroomversnelling terecht. Vanaf dan verwerven immers ook abdijen van buiten Oost-Brabant er wijngaarden.