Boek InfoVoorbladInhoudTechniek en verspreidingInleidingTechniekVroege middeleeuwenOost-BrabantInleidingAlgemeenNaar Oost-BrabantBesluitBesluitVoetnotenEconomieLeuvenLandwijn : handel en verbruikAchterblad
De Wijnbouw in Oost-Brabant (Boek I)
Tom Avermaete

Besluit bij Hoofdstuk III

Het is opvallend dat de wijnbouw zich enkel in de nabijheid van de steden of langs de oevers van de grote rivieren ten volle heeft kunnen ontwikkelen. Vanuit deze economisch-geografische gegevens is het meer dan waarschijnlijk dat dit het eerste in Leuven gebeurde. Nadien volgden achtereenvolgens Diest, Aarschot, Hoegaarden (samen met het Tiense) en Zoutleeuw. De plaatselijke bodemvruchtbaarheid is niet van doorslaggevend belang geweest voor de aanwezigheid van wijnbouw. Toch merken we dat de wijnbouw in de loop van de 16de eeuw het eerst verdwijnt in de gebieden met een lage bodemvruchtbaarheid.
In eerste instantie bezat vermoedelijk enkel de hertog wijngaarden. Deze moesten zijn prestige kracht bij zetten. Later werden er, onder invloed van de Luikse kerkelijke instellingen wijngaarden aangelegd om de aan hun onderhorige parochies van miswijn te voorzien. In de loop van de 13de eeuw nemen enkele plaatselijke heren meer en meer initiatief. Niet alleen gaan deze over tot de stichting van abdijen, ze gaan ook zelf wijnpersen bouwen, die dan meestal wel onmiddellijk weggeschonken worden aan kerkelijke instellingen. Vooral de Cisterciënzers hebben een belangrijke invloed uitgeoefend op de verspreiding van de wijnbouw in het bestudeerde gebied. Samengevat zou men kunnen stellen dat de wijnbouw in de 13de eeuw vooral omwille van de kerk en met de middelen van de adel verspreid werd. In het begin van de 14de eeuw gaan echter ook de abdijen van buiten Oost-Brabant wijngaarden verwerven in Oost-Brabant. Vanaf dan groeit de Brabantse wijnbouw langzaam naar haar hoogtepunt toe.