55
B. De economische ontwikkeling
Zoals gezegd is de wijnbouw een gespecialiseerde teelt, die heel wat investeringen vraagt. Bovendien is het eindprodukt, de wijn, een luxe-produkt en is er dus ook nood aan een dichtbijgelegen koopkrachtig afzetgebied. Verder vereist de techniek van de wijnbouw ook een zekere vaardigheid. In het algemeen kunnen we dus stellen dat de wijnbouw een zekere economische ontwikkeling vergt van zijn omgeving. De ontwikkelingsgraad van een gebied valt natuurlijk moeilijk te bestuderen. Het leek ons relevant om dit te onderzoeken aan de hand van de ontwikkeling van de kerkelijke instellingen.
Ook hier weer valt op dat de leemdorpen Hoegaarden en Meldert in vergelijking met de rest van Oost-Brabant voorop lopen. Toch ontbreekt het het gebied blijkbaar aan levenskracht, daar Hoegaarden in de middeleeuwen niet uitgroeit tot een volwaardige stad en daar de Benediktijnenabdij van Meldert in de loop van de 9de eeuw terug verdwijnt. Leuven eist met de stichting van de abdijen van Vlierbeek en 't Park echter snel haar plaats op in het kerkelijke landschap. Toch dienen we in de 12de eeuw ook nog de stichtingen van de abdijen van Averbode en Opheylissem in acht te nemen. In de eerste helft van de 13de eeuw worden de eerste Cisterciënzerabdijen in Oost-Brabant gesticht in Oplinter, Wezemaal, Diest en Rummen. Vooral Diest kan zich in de 13de eeuw op kerkelijk vlak meer profileren. In de loop van de 13de eeuw ontstaan er ook in Tienen, Zoutleeuw en Aarschot meer kerkelijke instellingen. Als we nu gaan kijken naar het aantal en de verscheidenheid van de kerkelijke instellingen per stad, dan valt vooral het grote belang van Leuven op. Op enige afstand volgen dan Diest, Tienen, Zoutleeuw en Aarschot. De kerkelijke ontwikkeling van een bepaald gebied mag echter niet zomaar gelijkgesteld worden met de algemeen economische ontwikkeling. Zo lijkt zeker niet juist om te stellen dat Aarschot zich op economisch gebied minder had ontwikkeld dan bijvoorbeeld Tienen en Zoutleeuw. Wel was het Aarschotse in de loop van de 13de eeuw op kerkelijk gebied meer afhankelijk geworden van Leuven. En dit had zeker niet altijd negatieve gevolgen voor de Aarschotse economie. Zo heeft de Leuvense St-Geertrui priorij vermoedelijk een belangrijke rol gespeeld bij de verspreiding van de wijnbouw naar het Aarschotse.
Evenals met de ontwikkeling van de wijnbouw valt ook hier weer het belang van het rivierennet op. Leuven, Aarschot, Diest, Tienen en Zoutleeuw liggen immers allemaal aan een waterweg. Het is opvallend dat we de wijngebieden enkel aantreffen in de nabijheid van deze steden. Zo produceerden Leuven, Aarschot en Diest hun wijn in de onmiddellijke nabijheid, terwijl Zoutleeuw en Tienen aangewezen waren op het vlakbij gelegen Hoegaarden. In de tussenliggende gebieden treffen we veel minder wijnbouw aan.
57
Tabel van de kerkelijke instellingen
Bron : DE MOREAU, E., Histoire de l'Eglise en Belgique
| PLAATS | DATUM | INSTELLING |
| Aarschot | ? | Kapittelkerk |
| 13de E | Bogarden, in 1323 Franciscanen |
| 1453 | St-Nikolaasberg, zusters van het gemene leven, later Franciscanen |
| 1259 | Begijnhof |
| Averbode | 1135 | Norbertijnen |
| Bekkevoort | 1229 | Duitse orde |
| Bierbeek | ? | St-Maartenskapittel |
| 1189 | Priorij Benedictijnen |
| Binkom | ? | Hospitaalridders van St-Jan |
| Diest | 1228 | Minderbroeders |
| 1235 | St-Bernardsdaal, Cisterciënzers |
| 13de E | Bogarden |
| 1297 | St-Jan-de-Doperkapittel |
| 1375 | Alexianen of cellebroeders |
| 1376 | Grauwzusters |
| 1432 | Mariëndaal |
| 1457 | St-Sulpiciuskapittel |
| 15de E | Hospitaalridders van Sint-Jan |
| Halen | 1243 | Rotem, Cisterciënzers |
| Herent | 1407 | Klooster van Bethlehem |
| Heverlee | 1128/1229 | Parkabdij |
| 1521 | Priorij Celestijnen |
| Hoegaarden | ? | St-Gorgoniuskapittel |
| 15de E | Bogarden |
| Hoksem | 1344 | St-Jan-Evangelistkapittel |
| Kerkom | 1216 | Cisterciënzers, verhuizen later naar La Jauchelette |
| Kessel-Lo | 1125 | Vlierbeek, Benedictijnen, in 1178 abdij |
| Kortenberg | 1090 | Vrouwenabdij |
| Leuven | 11de E | St-Pieterskapittel |
| 13de E | Tempeliers |
| 1204 | St-Geertruipriorij, in 1652 abdij |
| 1228 | Dominicanen |
| 1228 | Minderbroeders |
| 1236 | Eremieten van St-Augustinus |
| 1248 | Zusters van de penetentie van St-Maria-Magdalena in 1252 Victorinnen |
58
| 1280 | Bogarden, in 1448 Franciscanen |
| 1395 | Grauwzusters |
| 1415 | Klooster van de 1100 maagden |
| 1431 | Karmelieten |
| 1433 | Broeders van het gemene leven, in 1447 St-Maartensdaal |
| 1438 | Zwartzusters of Cellezusters |
| 1484 | Chartreuzeklooster |
| 1515 | Klarissen |
| 1519 | Inden Wijngaard, Cisterciënzerinnen |
| 1529 | Annuciaten |
| 1542 | Jezuïeten |
| 1591 | Kapucijnen |
| 1230 | Groot Begijnhof |
| 13de E | Klein Begijnhof |
| Meldert | 7de E | Benedictijnenklooster, verdwijnt in de 9de eeuw |
| Opheylissem | 1129 | Witherenabdij |
| Oplinter | 1219 | Maagdendaal, Cisterciënzerinnen |
| Pellenberg | 1219 | Norbertinessen, in 1232 naar Sint-Joris-Winge (Gempe) |
| Rummen | 1234 | Oriënten, Cisterciënzerinnen |
| St-J.-Winge | 1232 | Gempe |
| Tienen | 11de E | St-Germanuskapittel |
| 1251 | St-Katherineberg |
| 1261 | Minderbroeders |
| 1275 | Bogarden |
| 1326 | Grauwzusters |
| 14de E | Alexianen of Cellebroeders |
| 1388 | Barberendaal |
| 1416 | Kabbeek |
| ? | Begijnhof |
| Webbekom | 1247 | Begijnhof |
| Wezemaal | 1215 | Vrouwenpark, Cisterciënzerinnen |
| Wommersom | ? | Hospitaalridders van St-Jan |
| Zoutleeuw | 1235 | Scholierendaal |
| 1291 | Bogarden |
| 1308 | St-Leonarduskapittel |
| 1350 | Grauwzusters |
| 1484 | Onze-Lieve-Vrouwendaal |
| 1242 | Begijnhof |
59
Samenvattend zouden we dus kunnen stellen dat het profiel van een wijnbouwregio er als volgt uitziet : het gebied moet zich, door middel van eigen produktie of door de aanwezigheid van een waterweg, voldoende kunnen voorzien van graan en er moet een afzetmarkt aanwezig zijn. Vanuit deze invalshoek kunnen we het belang van Leuven als wijnproduktiecentrum verklaren. Leuven ligt immers vlakbij de leemstreek, om zich van graan te voorzien. Tegelijk vormt de stad een voldoende grote afzetmarkt voor de wijn. Hierdoor was Leuven, in tegenstelling tot Aarschot, dat zijn graan moest invoeren, en Hoegaarden, dat de wijn moest kunnen uitvoeren, economisch gezien tamelijk onafhankelijk.