B. De wijnbouw in het Maasbekken
Net zoals de Vlaamse en de Brabantse abdijen bezaten ook de Luikse abdijen wijngaarden in het buitenland. We beginnen met de abdij van Waulsort, niet ver van Dinant gelegen. Deze abdij heeft in 1070 een wijngaard nabij Metz. De abdij van Lobbes, aan de Samber gelegen, had vooral wijngaarden in het graafschap Vermandois en in de omgeving van Beauvais, Reims en Laon. Zij bezat ook wijngaarden in de Thiérache. Ook de Luikse Kerk bezat in de vroege middeleeuwen wijngaarden in verafgelegen gebieden. Zo gaf Karel de Grote het domein van Maidières (bij Pont-à-Mousson) met de wijngaarden aan ofwel het Luikse St-Pieterskapittel ofwel de abdij van St-Truiden. Ook de Luikse bisschop begiftigde de talrijke Luikse kapittels met buitenlandse wijngaarden. Zo kreeg het kapittel van St-Pieter rond 922 de bisschoppelijke bezittingen in Norroy-le-Veneur, nabij Pont-à-Mousson, aan de Moezel. In de loop van de 13de eeuw worden de buitenlandse wijngaarden van de hand gedaan. Zo ruilt het Luikse St-Pieterskapittel in 1230 Norroy-le-Veneur tegen bezittingen van de abdij van Saint-Virton in Verdun. In 1227 wisselt de Luikse bisschop zijn Moezelwijngaarden tegen de stad St-Truiden, die aan de bisschop van Metz behoorde.
48
Voor de verkoop van deze verafgelegen wijngaarden kunnen een tweetal verklaringen gevonden worden. Ten eerste kan men stellen dat de wijnhandel in de 12de eeuw pas goed op gang komt. Zo wordt in 1198 in Luik voor het eerst wijn gemeld uit La Rochelle. De buitenlandse vreemde wijnen worden dus uitgevoerd naar onze contreien. Een andere verklaring voor de verkoop van de buitenlandse wijngaarden kan gezocht worden in de ontwikkeling van de eigen wijnbouw. Dit laatste wekt natuurlijk onze interesse. Wij hebben ons hierbij vooral geconcentreerd op één stad, met name Luik. Gezien de gunstige ligging en de vroegere ontwikkeling, is de Luikse wijnbouw de Brabantse immers voorafgegaan.
Rond 830 wordt er voor het eerst melding gemaakt van een wijngaard in het Luikse. In dat jaar bevestigt de bisschop van Luik dat de abdij van St-Hubert in het bezit is van wijngaarden : "vineas tres in castro Hoii (Hoei) mansionem unam apud Leodium a nobis constructam, necnon et vineam unam cum manso ad se pertinenti in territorio Leodiensi nuncupato Vingitis, cum omnibus appenditiis suis".
Op de volgende wijngaard is het wachten tot in de 11de eeuw, wanneer de kerkelijke instellingen zich in het Luikse verder ontwikkelen. Zo plant de nog jonge abdij van St-Laurentius in 1036 wijngaarden aan : "...dominus abbas Stephanus, vir scientia clarus, sed conversatione clario, ... vineas plantavit, ...". In 1078 komt het Hendrik van Verdun ter ore dat het de collegiale kerk van St-Bartholomeus aan wijn ontbrak. Om het tekort te verhelpen en omdat hij er toch te veel had, schenkt Hendrik de voornoemde kerk de tienden van de wijngaarden die naast de Luikse citadel lagen : "cum vero ecclesiam illam solam vino carere intellexissem, et ego plurimum abundarem, obtento consensu clericorum et laicorum, dedi decimas vinearum a via que ascendit a sanctam Walburgem usque prope Hoyolum, quas ego ... collegi et circa Rodulfi fossam quam etiam tradidi ecclesie ut in ea fierent vinee. Quedam cortilia monti contigua, ablatis oleribus, feci vineis conseri et fratribus decimas dari...". Ook het kapittel van St-Jan bezat in Luik een wijngaard met een pers en een huis, die "Magna Vinea" werd genoemd. In 1186 kreeg een zekere Boudewijn de wijngaard in bruikleen als hij er een nieuwe pers bouwde. In 1225 krijgt Boudewijn van Saint-Georges de toestemming om "staken en droogovens" ("wendas et stupas") op te richten op zijn wijngaard. In 1236 treffen we dezelfde Boudewijn nogmaals aan wanneer hij al zijn bezittingen overmaakt aan de abdij van Val-Benoît op voorwaarde dat deze abdij een halve aam wijn aan het kapittel van St-Jan zou geven. In dezelfde periode breidde vermoedelijk ook de abdij van St-Hubert haar Luikse wijngaard uit. In 1203 ontzegde de Luikse bisschop Hugues de Pierrepont iedereen immers het recht om tienden te heffen op de wijngaarden die St-Hubert zou planten of verwerven. Tegelijkertijd zien we dat de Luikse kerkelijke instellingen hun buitenlandse wijngaarden verkopen. In respectievelijk 1227, 1230 en 1235, doen de Luikse bisschop, het Luikse Sint-Pieters kapittel en dat van St-Lambert hun buitenlandse wijngaarden immers van de hand.
49
Al bij al kunnen we dus stellen dat de wijnbouw in Luik pas in het begin van de 13de eeuw enig belang krijgt. Wat is nu de omvang van de Luikse wijngaard in deze periode ? Een document omtrent de wijntienden geeft ons misschien enig idee van de grootte ervan in het begin van de 14de eeuw. Op 29 juli 1310 staat Arnold van Blankenheim, de provoost van Luik, alle tienderechten, zijnde gemiddeld 10 amen wijn, af aan het Bartholomeuskapittel op de wijngaarden "extra muros Leodiensis sive civitatis versus sanctum Bartholomeum in loco dicto Esuignis". Indien deze 10 amen wijntienden ook werkelijk een tiende zijn van de opbrengst, zou de belaste Luikse wijngaard dus 100 amen voortbrengen per jaar. Aan de hand van de gemiddelde opbrengst van de Leuvense hertogelijke wijngaard zou men de oppervlakte van de Luikse wijngaard kunnen schatten op zo'n 8 ha. Indien de wijntienden echter een twintigste bedroegen, zou de wijngaard natuurlijk 16 ha groot geweest zijn. In de loop van de 13de eeuw kent de Luikse wijnbouw een toenemend succes. Op het einde van de 13de eeuw zijn het immers niet alleen de kerkelijke instellingen die wijngaarden bezitten. Ook patriciërs, oude ministeriales van de bisschop, grondbezitters en een klasse van rijke handelaars, laten zich in toenemende mate met de teelt in.
Vanuit Luik heeft de wijnbouw zich ook verder stroomopwaarts de Maas verspreid. Naar Maastricht bijvoorbeeld. Tegen het einde van de 14de eeuw was de wijnbouw er zo toegenomen dat de magistraat van deze stad op 7 februari 1384 het, omwille van de wijnaccijnzen, verbood om nog wijn te gaan halen uit het naburige St-Pieter, waar vele Maastrichtenaren een wijngaard hadden. Later werd er blijkbaar wel een oplossing gevonden en mocht de wijn, die geperst was uit de druiven die gekweekt waren in de "bannen myllen", wel accijnsvrij verkocht worden.