Boek InfoVoorbladInhoudTechniek en verspreidingInleidingTechniekVroege middeleeuwenInleidingOnze gewestenKerkelijke machtDe wereldlijke machtIn onze gewestenBesluitOost-BrabantBesluitVoetnotenEconomieLeuvenLandwijn : handel en verbruikAchterblad
De Wijnbouw in Oost-Brabant (Boek I)
Tom Avermaete

A. De verspreiding onder invloed van de kerkelijke macht

Vanaf het einde van de zevende eeuw werden onze gewesten gekerstend. De kerstening heeft zeker een belangrijke bijdrage geleverd tot de verspreiding van de wijnbouw. In de christelijke liturgie neemt de wijn immers een centrale plaats in. In dit verband dienen we erop te wijzen dat in de late middeleeuwen niet enkel het brood, maar ook de wijn genuttigd werd door de gelovigen. In ruil hiervoor diende men weliswaar een bijdrage te betalen109. Natuurlijk zijn onze gewesten niet in één dag gekerstend. En zeker het gebied tussen Dijle, Demer en Gete zal nog enige tijd van het Heilige woord verstoken blijven. In vergelijking met de omliggende gebieden ontbrak het Brabant, op Nijvel na, trouwens nog lange tijd aan abdijen. In de achtste eeuw waren er in onze gewesten een 15-tal abdijen : 2 te Gent en telkens één te Torhout, "Quortolodora", Ronse, St-Truiden, Munsterbilzen, Aldeneik, Rutten, Lobbes, Nijvel, Andage, Bergen, Zinnik en Andenne110. Is het nu gerechtvaardigd om aan te nemen dat de wijnbouw in onze gewesten verspreid werd onder impuls van deze abdijen ? Waarschijnlijk wel, zij het pas vanaf de 12de eeuw. Voordien won de clerus haar wijn immers op buitenlandse wijngaarden. Zo bezaten onze abdijen heel wat wijngaarden in de streek van Soissons en Laon en langs de oevers van Rijn en Moezel.
Hoewel dit ook voor de talrijke abdijen in het graafschap Vlaanderen, het graafschap Namen en het prinsbisdom Luik kan worden aangetoond, zullen we ons hier beperken tot de abdijen van het hertogdom Brabant en het graafschap Loon. Eerst de Brabantse. De St-Geertrui abdij van Nijvel, reeds gesticht in de zevende eeuw, krijgt van Karel de Kale (838-877) de villa Sprendlingen nabij Worms, Bröl aan de Rijn, Besny nabij Laon en Berzy nabij Soissons. Allemaal bezittingen langsheen de Rijn en langsheen de Aisne. Rond die periode moet ook de abdij van Gembloers via haar stichter buitenlandse bezittingen gekregen hebben. In 946 beves-
43
tigt Otto I immers de gift gedaan door Gisla, grootmoeder van de stichter Wichpert, van wijngaarden in villa Molivort (niet geďdentificeerd) en de villa de Berga (Berg aan de Moezel). Rond 987 krijgt de abdij van bisschop Notker ook wijngaarden in eigen land, in Namen : "Notkerus episcopus gratum habens tam obedienter suae voluntati favere fratrum ... in villa Namuco aliquantulum vineae, cum terra ad culturam vineae pertinente"
111. Ook de Cisterciënzerabdij van Villers bezat op het einde van de 12de eeuw wijngaarden aan de oevers van de Moesel en de Rijn, maar daar komen we later nog wel op terug112. De Maastrichtse abdij van Sint-Servaas had eveneens bezittingen langsheen de bovengenoemde rivieren. Zo bezat deze abdij in de 11de eeuw het volgende : "Quod ibi confluat idem fluvius, scilicet Mosella et Renum. Habet hinc noc longius idem venerabilis Servatius quasdam possessiones vinearum, agrorum et familiarum. Post obitum vero Ottonis imperatoris, filii illius Ottonis qui in Calabria pugnavit cum Grecis, regnum vestrum nimis confusum est et conturbatum"113. Het klooster van Aldeneik had in 929 wijngaarden in Waldorf aan de Rijn, nabij Bonn. Verder was ook de abdij van Sint-Truiden in het begin van de tiende eeuw, door bemiddeling van de bisschop van Metz, in het bezit gekomen van wijngaarden aan de Moezel. In de loop van de 10de en de 11de eeuw weet zij haar wijngaardbezit aldaar nog uit te breiden. In 1257 is de abdij ook in het bezit van wijngaarden in de nabijheid van Keulen. Een tiental jaren later echter, in 1265, verkoopt de abt, Willem van Rijckel, de Duitse bezittingen aan de abdij van Himmesrode. Zijn argumenten voor deze verkoop luiden als volgt : "cum curtes... minus fructuose minus utiles nobis essent propter locorum distantiam et viarum discrimina, necnon et propter graves injurias que per quorundam violentiam in predictis bonis et curtibus nobis multociens sunt illate"114. Vanaf de negende eeuw tot op het einde van de elfde eeuw worden de abdijen dus begiftigd met wijngaarden. In eerste instantie gebeurden deze schenkingen meestal door de koning of de keizer. Dit is logisch, daar onze abdijen geen prestige hadden in de buitenlandse wijnbouwgebieden. Later zien we dat de abdijen ook via hun stichters of via abten, die uit een wijnstreek afkomstig waren, in het bezit komen van wijngaarden115.
Wat nu wel opvalt is het tijdstip waarop de abdijen in bezit komen van wijngaarden. Hoewel veel abdijen reeds in de achtste eeuw of vroeger gesticht zijn, komen deze pas in de negende, meestal in de tiende eeuw, in het bezit van wijngaarden langsheen het bekken van de Rijn en de Seine. Had dit te maken met het feit dat de wijn na het uiteenvallen van het Karolingische rijk duurder werd ten gevolge van tolheffingen en handelsmoeilijkheden ? Of hadden de abdijen vanaf de negende eeuw gewoon meer wijn nodig dan tot dan toe het geval was ? Hoe dan ook, het is duidelijk dat de kerkelijke instellingen in de vroege middeleeuwen aangewezen zijn op buitenlandse wijngaarden. Daar ze deze meestal van koningen en keizers gekregen hadden, lijkt het ons interessant om ook de verspreiding van de wijnbouw onder invloed van de wereldlijke macht eens van naderbij te bekijken.