Boek InfoVoorbladInhoudTechniek en verspreidingInleidingTechniekInleidingDe teeltKlimaatHet microklimaatHet reliëfLandschapselementenDe grondsoortBesluitVroege middeleeuwenOost-BrabantBesluitVoetnotenEconomieLeuvenLandwijn : handel en verbruikAchterblad
De Wijnbouw in Oost-Brabant (Boek I)
Tom Avermaete

40

C. De grondsoort

Voor de creatie van een gunstig microklimaat moet de bodem gemakkelijk kunnen opwarmen. De lichte Hagelandse bodems, gaande van humeuze zandleem tot lichte zandleem, komen hiervoor in aanmerking. Bovendien zit er nagenoeg overal ijzer in de grond, wat maakt dat de zonnewarmte kan worden teruggekaatst op de druiventrossen. Doordat leem en zand vanuit noordelijke richting door de wind werden afgezet, zit dit ijzer vooral op de warmere zuidelijke flanken bovenaan in de bodem, die zo al het meest geschikt waren om aan wijnbouw te doen.
De bodemsamenstelling valt overigens ook af te leiden uit de Oost-Brabantse toponymie. Het meest uitgesproken toponiem dat wijst op de ijzerhoudende grond is wellicht de "Ijzerenberg" in Winksele. In Herent is er het toponiem "Roeselberg". Dezelfde naam treffen we ook aan in Houwaart. Ook de Everbergse "Rosberg" wijst op de aanwezigheid van roodachtige ijzerhoudende grond. Zoals reeds gezegd was de ijzerhoudende grond ook verantwoordelijk voor de vorming van de limoniet-zandsteen. De hardheid van dit gesteente maakte het tot een gegeerd bouwmateriaal. Vandaar dat er op de zuidelijke hellingen ook toponiemen voorkomen die verwijzen naar deze ontginning. In Leuven treffen we deze toponiemen aan in het zuid-westen van de stad : "Groeve" (1278) "Korte Groeve" (1320) en "Groefstraat" (1433). De huidige Tervuursepoort werd dan ook Groefpoort (1350) genoemd103.