Boek InfoVoorbladInhoudTechniek en verspreidingInleidingTechniekInleidingDe teeltKlimaatDe Wijnstok en het klimaatKlimaatstudieMethodes en algemene theorieënHet klimaat in onze strekenHet microklimaatBesluitVroege middeleeuwenOost-BrabantBesluitVoetnotenEconomieLeuvenLandwijn : handel en verbruikAchterblad
De Wijnbouw in Oost-Brabant (Boek I)
Tom Avermaete

2. Het klimaat en de wijnteelt in onze streken

Op basis van de opbrengst van de hertogelijke wijngaard in Leuven kunnen we het effect van klimaatsfluctuaties op de wijnbouw nagaan. Vooreerst beschikken we over een reeks plukdata van de hertogelijke wijngaard, waaruit het begin en het einde van de wijnoogst af te leiden valt. Deze gegevens zijn maar beschikbaar van 1403 tot het midden van de 15de eeuw, wanneer de hertog zijn wijngaard verpacht. Toch mochten ook de pachters de wijn niet "snyden dan by wete ende consente vanden rentmeester van Loeven ende nyet eer opte pene van eenen royale half tot mijns genedige heren behoef ende half den voertbringer"88.
In de hertogelijke rekeningen vonden we naast de data van de druivenpluk op de hertogelijke wijngaard drie soorten wijninkomsten. Een eerste soort wijninkomst betrof wijn die de pachters van de hertogelijke wijngaarden op de Oude en de Nieuwe Roeselberg dienden te leveren. De te leveren hoeveelheid wijn werd echter op voorhand vastgelegd en stond los van de effectief geoogste wijn. Verder ontving de hertog ook nog wijn van de hertogelijke wijngaard binnen Leuven, die zo'n 53 vierendeel (+ 4 ha, 24 are) groot was. Zoals reeds gezegd werd deze vanaf het midden van de 15de eeuw verpacht. Een derde soort wijninkomst betrof de wijn gewonnen op de ziekenwijngaard. Deze wijngaard, 5 vierendeel en 3 roeden (+ 40 are, 96 m²) groot, werd pas op het einde van de 16de eeuw verpacht, en waarschijnlijk kort daarna vervangen door kriekebomen. Van 1467 tot 1485 is het deel van de wijnopbrengst van deze wijngaard voor de hertog wel beperkt tot maximaal 2 amen. Voor deze periode is het dus onmogelijk om de totale opbrengst van de ziekenwijngaard te kennen indien deze meer dan 2 amen bedroeg. Voor de jaren waarin de ziekenwijngaard minder dan 2 amen opbracht zijn de gegevens wel nog bruikbaar : "so is die wijne van miraculen te leveren boiven sijnen pachte in gelde twee amen wijns van miraclen so were der dese jairlics also vele gewassen sal wesen so sy dat blijcken datter inder tyt van dese rekening nyet meer wijns van miraclen dan hier in ontvangt wort gerekent"89. De opbrengstgegevens van de ziekenwijngaard overspannen een periode van bijna 200 jaar.
32
Vooreerst de plukdata. Waar E. Le Roy Ladurie in Frankrijk een bijna perfecte correlatie kan vaststellen tussen de begindatum van de wijnoogst en de gemiddelde temperatuur tussen april en september, is het verband tussen de plukdata en de opbrengsten van de hertogelijke wijngaard niet meteen duidelijk90. In 1451 bijvoorbeeld, begint de wijnoogst pas op 21 oktober. Hij duurt echter wel 13 dagen, tot 3 november. De opbrengst, zo'n 36 amen, is wel eerder laag, maar toch niet in verhouding tot de late pluk. Een beter voorbeeld is wellicht het jaar 1419, wanneer men vanaf 11 oktober nog de rekordopbrengst van 232 amen wijn binnenhaalt. Sommige jaren duiden dan weer wel op een verband tussen oogstdatum en opbrengst. De oogst van 1418, begonnen op 1 september, leverde bijvoorbeeld 191 amen op. Toch is het mogelijk om op basis van de plukdata en de opbrengst besluiten te trekken in verband met het klimaat. 1435 staat bijvoorbeeld algemeen bekend als een zeer koude winter, met vorst tot 17 april. Kan de magere opbrengst van 14 amen zeker wel in verband gebracht worden met het klimaat, de beginplukdatum 27 september, laat niets vermoeden. Toch lijkt dit laatste voorbeeld vrij logisch. Een zeer koude winter heeft immers geen invloed op de datum waarop de druiven rijp zijn, maar wel op de hoeveelheid geoogste wijn. Een magere oogst tijdens een vroege pluk wijst dus op vorstschade. Een late pluk en een rijke oogst zouden dan weer kunnen wijzen op een zachte winter, een zomer met weinig zon en een september met veel zon.
Vooraleer de samenhang tussen klimaat en wijnopbrengst besproken wordt, lijkt ons een kritische bestudering van de gegevens noodzakelijk. Zoals reeds gezegd, bestaan deze gegevens uit de opbrengsten van zowel hertogen- als ziekenwijngaard. Beide gegevens bevestigen elkaar, hoewel de verschillen tussen de opbrengsten van de ziekenwijngaard niet zo duidelijk zijn, gezien de wijngaard veel kleiner is. Daarenboven kan ook de verschillende ligging een rol gespeeld hebben. Toch kunnen we op basis van de correlatie tussen de opbrengsten van beide wijngaarden stellen dat ook de gegevens van de ziekenwijngaard voldoende representatief zijn91. Het is dus relevant om, ook na 1466, wanneer we enkel maar over de ziekenwijngaardoogst beschikken, de wijnopbrengstgegevens te bestuderen. Een volgende vraag is wel of men op basis van deze gegevens ook besluiten kan trekken in verband met het klimaat. De wijnoogst kan immers ook beïnvloed zijn door militaire activiteiten. De eerder lage wijnoogsten van de jaren 1488-1489 kunnen bijvoorbeeld verklaard worden door de Brabantse oorlogen. Toch wijzen de klimatologische gegevens uit de narratieve bronnen op koude winterjaren in die periode, gepaard gaande met lentevorst. De magere oogst van een halve ame in het jaar 1542, lijkt dan weer wel veroorzaakt te zijn door militaire activiteiten. Niet de erg droge zomer en de zachte herfst kunnen als oorzaak worden aangenomen, wel de strooptocht van de wrede maarschalk van Gelre, Maarten van Rossum. De nul-oogst van 1572 is dan weer een twijfelgeval. Hoewel Willem van Oranje in dat jaar met zijn legers door
33
Brabant trok vermelden de rekeningen van dat jaar dat "daeraff binnen den saisoen van des rekeningen egheenen wijn ghecommen en is noch egheene gewasschen doir den grooten couwe hagel ende snyeuvs tvoirs jair geweest tot Loeven"
92. De militaire activiteiten van de daarna volgende jaren laten echter wel hun sporen na. In 1577 doet de pachter van de hertogelijke wijngaard immers zijn beklag omdat : "Godt hem hadde redelycke wijn verleent dermede hij hoevele sijn voerleden schaden ende quaede wasschen eenichsints te vervalen mer midts dat de soldaden van sijne maj tot Loeven in garnisoen liggende den voers wijngaert seer hadde bedorven"93. In 1579 doet de pachter zelfs beroep op soldaten om de wijngaard te beschermen tegen de Spanjaarden. Deze huurlingen moeten hun opdracht goed volbracht hebben daar we in 1579 geen abnormaal lage opbrengst aantreffen. Ook de belegering van 1582 heeft geen invloed op de wijnoogst, integendeel zelfs, er worden dat jaar maar liefst 10 amen wijn geperst. Algemeen kunnen we dus aannemen dat de militaire activiteiten, met uitzondering van 1542, weinig invloed gehad hebben op onze gegevens.
Nu kunnen we de opbrengsten gaan vergelijken met de klimatologische gegevens uit diverse bronnen94. Zo kunnen we nagaan of, en in welke mate, klimaatschommelingen van invloed geweest zijn op de Brabantse wijnbouw. Een eerste vaststelling is wel dat er meer klimatologische gegevens voorhanden zijn om de slechte jaren te verklaren dan om de goede jaren aan te tonen. Slechte jaren sprongen blijkbaar meer in het oog dan goede. Anderzijds kunnen herhaalde misoogsten, te wijten aan klimatologische omstandigheden, van invloed geweest zijn op het verdwijnen van de wijnteelt hier te lande. Deze nuljaren of jaren van minder dan 1 aam treffen we aan in 1472, 1481, 1485, 1486, 1491, 1501, 1508, 1511, 1512, 1517, 1522, 1523, 1532, 1538, 1542, 1544, 1572, 1589 en 1590. Al deze slechte wijnjaren, op 1542 en 1586 na, kunnen vanuit klimatologisch opzicht verklaard worden. Toch dient de nodige voorzichtigheid aan de dag gelegd te worden als men de wijnopbrengsten nu ook wil gebruiken voor klimatologisch onderzoek. Sommige winters hebben immers geen effect gehad op de wijnopbrengst. Strenge winters van korte duur, waarbij de temperatuur boven de -20° blijft zijn er minder gemakkelijk uit te halen, terwijl relatief zachte winters, met een late vorst fataal kunnen zijn. Een goed voorbeeld hiervan is de winter van 1514, die van november tot januari zeer koud was, en toch een tamelijk hoog rendement haalt. Een late koude periode met veel neerslag, heeft dan weer minder effect op de wijnoogst. Sneeuw en regen beschermen de bloesems immers tegen de koude temperaturen. Natte en koude zomers hebben dan weer een nefaste invloed op de opbrengst. In 1486 is hevige regenval dan weer verantwoordelijk voor de misoogst. We moeten ons er verder ook rekenschap van geven dat de gegevens tussen 1467-1485 ons vanwege de vastgestelde pachtwijn ontbreken. De tolrekeningen kunnen ons hier echter wel te hulp kunnen komen. In goede wijnjaren voerde men immers meer wijn uit. Vooral veraf gelegen tolplaatsen, zoals de tol van Iersekeroord, vormen een goede referentie. Deze
34
tolrekeningen (1418 en 1470-1799) maken enkel in 1418, 1472 en 1473 melding van landwijn of Hoegaardse wijn. Het verband is duidelijk aanwezig : 1418 kan immers nog door de opbrengsten bevestigd worden als een zeer goed jaar. Terwijl 1471 en 1473 in de verhalende bronnen bevestigd worden als jaren waarin al de vruchten een maand rijper waren dan gewoonlijk.
Als we nu op basis van ons eigen onderzoek besluiten trekken in verband met klimaat dan moeten we in de eerste plaats toch vaststellen dat de gemiddelde opbrengst van de bestudeerde wijngaard ligt in de 16de eeuw niet lager ligt dan in de 15de eeuw95. Anderzijds kunnen we wel stellen dat er in de 16de eeuw 14 quasi nulopbrengsten zijn die samenvallen met strenge winters. In de 15de eeuw komen hiervoor maar een drietal winters in aanmerking. Zoals boven gesteld zijn deze nuljaren niet altijd de weerspiegeling van een koud jaar. Meestal zijn ze het gevolg van een te late vorst of een te natte zomer of soms zelfs een enkele onweersbui. Het lijkt mij dan ook beter om te stellen dat de wijnbouw in de loop van de 16de eeuw een tiental keer geconfronteerd werd met enkele nefaste klimatologische omstandigheden, dan om te stellen dat de wijnbouw in de 16de eeuw al ten onder gegaan is aan klimaatsveranderingen.