A. De wijnstok en het klimaat
Om zijn vruchten tot rijping te laten komen, stelt de wijnstok bepaalde klimatologische eisen, zowel inzake temperatuur als inzake neerslag. De temperatuurgrens voor de druiventeelt in openlucht schommelt rond een gemiddelde jaartemperatuur van 9° Celsius. Niet enkel de breedte en de maritieme ligging, ook het reliëf en de vegetatie - kortweg het microklimaat - zijn hiervoor bepalend. Op korte termijn kunnen extreem lage temperaturen een rol spelen. Daalt de temperatuur in de winter beneden -20° Celsius, dan treedt er onvermijdelijk vorstschade op. Vooral de uiteinden van het eenjarig hout zijn hier gevoelig voor. In het voorjaar, nadat de botten zijn ontsprongen, kan een late vorst fataal zijn. Tijdens de bloei, in de maanden mei en juni - zou de gemiddelde temperatuur minstens 15° Celsius moeten bedragen. Inzake neerslag stelt de druiventeelt geen hoge eisen. Bij een regelmatige neerslagverdeling is een jaarlijks gemiddelde van 450 mm voldoende. Bij te hoge neerslag (+ 800 mm) in de zomer is er een verhoogd gevaar voor ziektes. De periodes waarin droog en warm weer voorkomen zijn, in het bijzonder tijdens de bloei en in de laatste maand voor de oogst, van kapitaal belang. Algemeen kunnen we stellen dat vooral te late of te vroege vorst of hagel of te natte zomers rampzalig zijn.