3. Het voorjaar
Eenmaal maart, werd het bovengrondse gedeelte van de rank gesnoeid. Dit snoeien werd gedaan op twee, soms op drie ogen. De scheuten aan de wijngaardstok werden dus ingekort zodat er nog maar 2 of 3 knopen aan te vinden waren.
In de lente dienden de wijngaardstokken ook opgebonden te worden aan de wijngaardstaken. In de abdij van Kortenberg gebeurde dit met twijgjes en "wijngaardband" : "Machielen den mandemaker van Loven betaelt van Xen daghe de wijen te snijden VI d g. Den selve betaelt van XXX busselen wijngert bants... valent V s g". Er kon hiervoor natuurlijk ook gewoon stro gebruikt worden : "van LXV mandelen walmere die de rentmeester voirs cochte ieghen enen man te Linden bi Loeven die gheorbert syn mi vrouwen wyngaert voirs den voirs wyngaert met te bindene inden mey.
21
22
In het voorjaar werd ook de grond van de wijngaard bewerkt. Dit gebeurde waarschijnlijk niet met een ploeg, maar met een haak. Met een haak verkruimelt men immers gemakkelijker een hellende bodem en kwetst men de wortels minder. Het was overigens niet de bedoeling om de aarde diep om te woelen, maar om de opperlaag te verluchten om het uitdrogen te voorkomen. Een oppervlakkige bewerking zorgt trouwens ook voor een snellere ontbinding van de organische stof in de bodem.
Indien de wijngaard op humusarme heuvel was aangelegd, moest hij goed gemest worden. Dat dit geen onbelangrijk gegeven was, getuigen de pachtcontracten uit die tijd, waarin meestal bepaald werd hoe de wijngaard moest gemest worden. In het pachtcontract van Opvelp van 1547 lezen we hieromtrent : "Item noch moet de win alle jaeren leeveren XX kerren (voeder)mest op den wijngaert...". Als meststof kon zowat al het afval in aanmerking komen. Zo bijvoorbeeld rivierslib : "Jordien van Lieshout van dat hi den vaerwech gemaect ende genedert heeft ende die erde inder wijngert geworpen". In 1567 wordt de wijngaard dan weer bemest met oude leem : "achtentwintich carren ouden leem opten voers wijngaert gevuert daermede hij gemest es geweest tot III s die carre metter vracht valent III rinsg IIII s ... Item om den selven ouden leem opden voers wijngaert te doen draeghen met hopen VI s". Overbemesting van de wijngaard kon de smaak van de wijn echter wel in die mate bederven, dat Willem Boonen de overbemesting zelfs aanduidt als een van de oorzaken van de ondergang van de Brabantse wijnbouw : "Sommighen willen den wijngert het proeffijt vuijtperssen doer continuelijck mesten, dwelck te vele gedaen, hem heel contrarie es; soo dat hij daerdoere dickwijlen zijnen natuerlijcken smaeck verliest". Het bemesten van een wijngaard werd dan ook streng gereglementeerd. In het pachtcontract van 1513 van de hertogelijke wijngaard lezen we dan ook : "Item en sullen die pachteneren die jaerschaeren vander voirs pachtingen lanck ... den voirs wijngaert in egeender manieren mogen mesten mit egeender hande meste straet more oft anders, behalven dierste oft tweeste jaer onder meer der voirs pachtingen sullen die voirs pachteneren den selven wijngaert mogen mesten te weten te platten lande boven de bergen ende niet in die bergen ende dan niet meer ende den selven alle jaeren eerden te wetene opt vierendeel L botten". Uit dit fragment leren we ook dat de pachter de wijngaard moest "eerden" : dit wil zeggen dat de grond, die door erosie van de wijngaardhelling was afgespoeld, terug moest worden aangevoerd. Zeker bij hevige regenval kon deze erosie een grote omvang aannemen. In 1432 had de omheining van de hertogelijke wijngaard in Leuven het door wateroverlast begeven, zodat deze moest hersteld worden : "uutgheven aen enen nuwen muren ende poerte die gemaect es beneden aen den steenwech aen den voirs wijngaert inden jaeren voirleden welken muren op die zyde te voren wert daer neder gevallen was overmits grote overtollige laste van water dat van boven uten wijngert quam van grote storten van regene".
23
In 1486 spoelde de hele wijngaard zelfs weg zodat deze die "wyle van Janne gehouden heeft in pechtingen welcke pecertingt gheexpireert es int jaer van LXXXVI ende ins den grooten reghen die geweest hadt op tselvejaer alsoe dat die eerde vanden selven wijngarde zeer afgevloten was alsoe dat de selve albloot was ende de stocken vande wijgarde utgevloten waeren".
De mest en de grond werden met behulp van een "hot" naar de wijngaard gedragen : "Coppen vanden Meersberge, Henric van Rylaere, Merten Zomers ende Willem Zomers van erden te dragen met haeren botteinde vors wingert in deerste, in dander inde derde ende inde vierde weke van november XIIII c ende XVI". Een "hot" of "bot" is een draagkorf, die ook bij de wijnoogst gebruikt werd. Het woord "hot" komen we vandaag nog tegen in de streek rond Aarschot, waar men wel eens heeft over "iets op zijn hot dragen", wanneer men bedoelt dat men iets op zijn rug draagt. In het Leuvense sprak men meestal over een "bot". Het werktuig zelf werd door een mandemaker of door een gareelmaker gemaakt, maar is zeker geen synoniem met mand of korf.
Wanneer een bot gebroken was, moest hij gelijmd worden. Dit gebeurde met een speciale plant die men in stukjes sneed : "Item aen Mathijs Kerreman greelmaker om twee gebrocen botten te maecken ende lappen om den wijn mede inde persche te draghen gesneden synile, de somme van XXII s".
In lente werd ook de haag rondom de wijngaard hersteld, zodat de vruchten van de wijnstok beschut werden tegen de wind. Zo had de rentmeester van Leuven "Ghecocht op de maerct te Loeven III busselen levender hagen die gheset ende gheplant es omme mi vrouwen wijngaert te Loeven, bevreden aende Santporte, in dierste weke van meerte XIIII c III, die coste te gadere VII lib IIII s". Hij betaalde aan "Willem den Leuwe ende Willem den Raymaker vander voirs hagen te plantene ocht te settene omme den wyngaert voirs inde voirs weke, elken I dach III lib XII s ... valent VII lib IIII s". Even verder lezen we : "Willem ende Willem voirs vanden thunnen te makene ende terichtene aen mi vrouwen wyngaert beneden ieghen die strate die ghevallen was vanden winde in dander weke vanden aprille XIIII c IIII elken Z dach valent te gadere III lib XII s" .