1. Het aanplanten
"Men plant den wijngaert in het wassen van de maen / in warme landen / ontrent kers-tijdt / en in koude landen in Lenten oft in den voor-tijdt". Als de plant een jaer ghestaen heeft salmen die wieden en snuyveren om den wortel de dorre looten besnoeyen / en spruyten leyden en op-binden. De eerste bloeysels sal men hem benemen / want hij sal daer na dies te beter tier hebben". De wijngaarden werden bij ons dus in de lente aangeplant. Daar de wijnstok zich ook ongeslachtelijk voortplant, volstond het om nog levende wijngaardtwijgjes in de grond te steken. Deze twijgjes hadden dan een jaar nodig om wortel te schieten.
Eenmaal volgroeid, kon de wijnstok worden opgebonden tegen een "wijngaardstaak", die meestal van wilgehout gemaakt was. Alhoewel "goede willigen wijngartstacen" in de droge grond van de Hagelandse heuvels waarschijnlijk meer weerstand boden tegen het rotten, dienden ze toch regelmatig te worden vervangen. Hieromtrent treffen we in een pachtcontract van 1547, dat betrekking heeft op de heerlijke wijngaard van Opvelp, onder meer het volgende aan : "Item soe wie den wijngaert blijft, sal moeten laten te zijnen affscheyd den wijngaert wel ende hoffelijck, rontomme vermaeckt ende te Bamisse al gestockt...". De pachter moest "alle jaeren staeken V duysent staecken ende prussen (?) oft suecken alsoe veel stocken alst dat behoert". Om een wijngaard te onderhouden had men dus nood aan heel wat hout. De ziekenwijngaard, die deel uitmaakte van de hertogelijke wijngaard in Leuven, gebruikte zo'n 3000 wijngaardstaken per jaar voor een oppervlakte van 5 vierendeel (+40 are of ongeveer een half voetbalveld).