Boek InfoVoorbladInhoudTechniek en verspreidingInleidingTechniekInleidingDe teeltDe wijnstokDe teeltKlimaatHet microklimaatBesluitVroege middeleeuwenOost-BrabantBesluitVoetnotenEconomieLeuvenLandwijn : handel en verbruikAchterblad
De Wijnbouw in Oost-Brabant (Boek I)
Tom Avermaete

A. De wijnstok

De plantensoort Vitis Vinifera Linaeus, of gewoonweg wijnstok, wordt ingedeeld bij de wijnstokfamilie. Deze familie, ook wel de familie van de Vitaceae genoemd, bevat ongeveer 700
16
soorten, voornamelijk afkomstig uit tropische en subtropische gebieden
1. Met de soortbepaling "Vitis Vinifera" is de classificatie van ons onderzoeksobject nog niet volledig afgelopen. Binnen een soort kunnen immers nog verschillende variëteiten onderscheiden worden. Welke variëteiten er destijds geteeld werden valt evenwel moeilijk te achterhalen. Vermoedelijk ging het om de Vitis Vinifera Silvestris, een Europese wilde variëteit. Deze zou ontstaan zijn uit de Vitis Vinifera Caucasia, een variëteit afkomstig uit de Kaukasus 2. Volgens Willem Boonen, een 16de eeuwse Leuvense kroniekschrijver, zouden de planten ingevoerd zijn vanuit Bourgondië : "Onse voerouders hielent in groote estime wijngaerden te planten, ende principaelijck die vuijt Bourgoindien gehaelt wordden"3. Ook een rekening uit het jaar 1750, lang na de bloeiperiode van de Brabantse wijnbouw, wijst op een invoer vanuit Frankrijk : "15 novembris : betaelt tot Ryselen door den heer provises voor 30 planten wijngaert uyt Vranckeryck"4.
Hoewel de boeiperiode van de plant zich, op het noordelijk halfrond, in het algemeen in mei en juni situeert, zijn er, naargelang de variëteit, toch nog belangrijke verschillen waar te nemen. In het Hageland zullen vooral variëteiten met een vroege bloei goed gedijen omdat hun vruchten langer van de zon kunnen genieten5. De vruchten beginnen zich immers reeds te ontwikkelen in de bloeiperiode. In deze periode komen er aan de bloempluimen - ook wel bloemtrossen - kleine, geelachtig groene bloemetjes. Deze bloemen zijn meestal tweeslachtig : ze bevatten dus stuifmeeldraden en een stamper. De wijnstok kan zich echter ook ongeslachtelijk voortplanten. Een afgesneden twijgje dat men in de grond steekt zal zich dus opnieuw ontwikkelen tot een plant. Eind september, begin oktober zijn de vruchten van de plant volgroeid. Deze kunnen, al naargelang de variëteit, wit of rood gekleurd zijn. Hoewel er vroeger zowel witte als rode druiven werden geoogst, is het zo dat de witte variëteiten het in onze streken over het algemeen beter doen dan rode.6
In mei verschijnen de eerste bladeren aan de plant. Deze bladeren komen verspreid voor op de stengel en ze vertonen een handvormige insnijding. Tegenover de bladstelen vinden we de hechtranken. De wijnstok is immers, net zoals de klimop, een klimplant. Nochtans is de stengel van de plant eerder houtachtig, al ziet hij er wel tamelijk hoekig uit. Dit komt omdat de stam zich elke lente steeds opnieuw ontwikkelt uit een knop. Om zich in de bodem staande te houden en om water en voedingsstoffen op te nemen, beschikt de wijnstok over twee soorten wortels : oppervlaktewortels en voetwortels. Zoals de naam al laat vermoeden, bevinden de oppervlaktewortels zich bovenaan de wortelstam. Ze boren zich horizontaal een weg doorheen de grond en dienen voornamelijk voor de opname van organische stoffen. De oppervlaktewortels kunnen wel gemakkelijk beschadigd worden bij het bewerken van de bodem. In tegenstelling tot de oppervlaktewortels zullen de voetwortels zich eerder verticaal ontwikkelen. In een goed verluchte, doorlaatbare bodem, kunnen deze, in hun zoektocht naar water, zeer diep in de grond doordringen7.

17
Oorspronkelijk groeide de wijnstok in de Kaukasus, een bergachtig gebied met een schrale bodem. We kunnen dus stellen dat de wijnteelt van nature uit geen vruchtbare grondsoort vereist
8. Integendeel zelfs, is het niet zo dat de beste wijnsoorten afkomstig zijn van wijngaarden gelegen op een arme bodem ? Men treft wijngaarden aan op leem, klei, mergel, zand en zelfs op grint (Bordeaux). Alleen een permanente watertafel op geringe diepte is erg ongunstig voor de druiventeelt omdat de wijnstokken dan onvoldoende kunnen ademen en wegrotten9. Stelt de wijnstok van nature niet veel eisen aan de grondsoort, ze vereist wel de aanwezigheid van koolstof in de bodem. Dit koolstofgehalte wordt bepaald door het humusgehalte, dat wordt bevorderd door de afbraak en de vermolming van planten en andere organische stoffen. Daar het humusgehalte van de Hagelandse bodem meestal te laag is, en dit zowel in de bovengrond als in de ondergrond, is bemesting noodzakelijk10. Toch kan men stellen dat de bodems van het Hageland, mits een goede minerale en organische bemesting voldoen aan de specifieke eisen die de wijnbouw stelt 11.
Of de toenmalige variëteiten meer weerstand zouden gehad hebben tegen planteziektes valt te betwijfelen. Waarschijnlijk waren de aandoeningen waardoor de wijnstok kon getroffen worden gewoon minder talrijk aanwezig. Hedendaagse ziektes zoals oïdium, meeldauw en blackrot, allen van uitheemse herkomst, waren toen immers nog onbekend12. Het voorbeeld bij uitstek is wellicht het relaas over de druifluis. Deze druifluis, een schadelijk insekt afkomstig uit Amerika, zou de wijnbouw vanaf het midden van de 19de eeuw in Europa zelfs onmogelijk gemaakt hebben indien men niet had ontdekt dat verschillende, op Amerikaans plantemateriaal geënte wijnsoorten, weerstand boden aan het insekt.