201
Algemeen besluit
Wat is er aangenamer dan weg te dromen naar de tijd van kleurrijke riddertoernooien, stoere burchten en rijkversierde kathedralen, toen het klimaat nog warmer was en al de heuvels beplant waren met heerlijk ruikende wijngaarden en de mensen zich, bij gebrek aan gezond water, te goed deden aan de heerlijke wijn die ze zelf gewonnen hadden ? De wijnstok spreekt vanwege zijn exotisch karakter inderdaad tot de verbeelding van de hedendaagse mens. Het is waarschijnlijk om die reden dat de wijnstok maar al te vaak verbannen wordt naar de duistere middeleeuwen, toen alles nog kon. Toch heeft dit beeld maar weinig gemeen met de historische werkelijkheid. Zo valt de verspreiding en de verdere evolutie van de wijnbouw, ondanks het schaarse bronnenmateriaal, vrij goed te reconstrueren. Bovendien mag het op basis van deze studie wel duidelijk wezen dat de wijnbouw een onderdeel was van de economische realiteit.
De eerste sporen van inlandse wijnbouw vinden we in 830 terug in Gent, Hoei en Luik, tijdens de economische heropleving onder de Karolingers. Blijkbaar moet de economische recessie ten gevolge van het uiteenvallen van het Karolingische rijk van invloed geweest zijn op de wijnbouw want de volgende vermeldingen van wijngaarden treffen we pas aan in 939 in Gent en 1036 in Luik. Bovendien verwerven vele abdijen in de loop van de 9de en de 10de eeuw wijngaarden langsheen de Rijn en de Moezel. Deze wijngaarden worden pas op het einde van de 13de eeuw terug van de hand gedaan. In de 12de eeuw kunnen we in de steden die op economisch vlak het verst gevorderd waren, een tweede heropleving van de wijnbouw onderkennen. Gent neemt hierin het voortouw, maar wordt op de voet gevolgd door Luik.
Hoewel de hertog van Brabant in deze periode in Leuven ook een wijngaard aanplant, vinden we in de rest van Oost-Brabant in de 12de eeuw nog geen wijngaarden terug. Hierin komt verandering in de 13de eeuw. Mede onder invloed van de Luikse kerk en de Cisterciënzerbeweging, raakt de wijnbouw ook in Brabant stilaan bekend. Toch werd de wijnbouw tot 1270-1280 meestal enkel in functie van de kerkdienst beoefend. In dit verband kunnen we ook nog vermelden dat er een opmerkelijke samenhang bestond tussen de wijnbouw en de parochiezorg, in die mate zelfs, dat de teruggave van geüsurpeerde parochies bijna altijd gepaard gaat met de schenking van een wijngaard. De adel investeert door de bouw van persen echter ook zelf in de wijnbouw. Toch werden deze persen meestal onmiddellijk weggeschonken aan de abdijen. De adel zorgde dus voor het kapitaal en de gronden, terwijl de abdijen over de nodige know-how beschikten om de wijnbouw uit te bouwen. Dankzij deze samenwerking nam de wijnbouw op het einde van de 13de eeuw vooral in de Demerstreek een hoge vlucht.
202
In het laatste kwart van de 13de eeuw kwam de wijnbouw in de steden en in de nabijheid van de abdijen door vercijnzing meer en meer bij de gewone man terecht. Naar het midden van de 14de eeuw toe, stijgt de bevolkingsdruk echter, zodat de wijngaarden, die aanvankelijk in het centrum van het dorp lagen, terug omgezet worden in akkerland. Dit fenomeen doet zich niet, of in mindere mate, voor in de vruchtbare leemstreek, waar de wijnbouw in deze periode nog eerder beperkt was.
De pestgolf en de onrusten zorgen ervoor dat de bevolkingsdruk in de periode 1355-1383 echter weer afneemt en de graanprijs daalt. Er is dus weer ruimte voor gespecialiseerde gewassen. Vanaf 1380 komt de wijnbouw, ook in de leemstreek, in een stroomversnelling terecht. Toch merken we dat de wijnbouw zich vooral langsheen de rivieren en in de nabijheid van de steden ontwikkelt. De wijn had immers nood aan een afzetmarkt. Indien ze deze niet vond in de onmiddellijke omgeving, werd de wijn via de rivieren uitgevoerd. Vanaf 1386 vinden we in de tolrekeningen van Dendermonde immers sporen terug van Hoegaardse en Aarschotse wijn. De Leuvense wijnbouw had in eerste instantie genoeg aan haar eigen afzetgebied. Toch had de wijnbouw er, mede door een stijging van de wijnprijs een sterke impuls gekregen, zodat de landwijn ook uit fiscale overwegingen interessant werd. In de loop van de tijd is de Leuvense wijnbouw steeds in sterke mate gecontroleerd geweest door de patriciërs. Deze bepaalden, via allerlei stadsordonnanties niet alleen de lonen van de wijngaardiers, maar ook de omvang van de Leuvense wijngaard.
Vanaf 1430 zorgt een stijgende bevolking en een stijgende graanprijs voor een omgekeerd effect. Vele wijngaarden worden dus terug omgezet in akkerland. Ook worden de grote wijngaardbezitters in het midden van de 15de eeuw geconfronteerd met een dalende wijnopbrengst. Toch kunnen we hier moeilijk spreken van een klimaatswijziging, er komen in de eerste helft van de 15de eeuw immers nog geen totale misoogsten voor. Deze komt er wel in 1458. Hierdoor kwam men meer en meer tot het besef dat wijnbouw ook grote risico's inhield. Eén stevige late vorst kon immers heel de oogst vernietigen. Om zich tegen deze risico's te wapenen, zien we dat de wijngaarden meer en meer verpacht worden.
203
Rond 1477 is de wijnbouwsector duidelijk in crisis. Toch is er beterschap op komst. De opstand tegen Maximiliaan (1489) en de daarop volgende onrust, zorgen immers weer voor ademruimte. De bevolking bereikt in 1492 immers een nieuw dieptepunt, terwijl de graanprijs daalt tot het laagste niveau van de 15de eeuw. Ook werd de export van Rijnwijn naar onze gewesten in deze periode verboden. Toch had de oorlog ook negatieve gevolgen. Zo was de Demerwijngaard sterk gehavend uit de strijd gekomen, hetgeen dan weer de positie van de andere wijngaarden versterkte. Bovendien zal ten gevolge van de oorlog ook het verschil tussen stad en platteland in deze periode, ook inzake wijnbouw, groter geworden zijn. Vooral de Leuvense en de Hoegaardse wijngaard groeien in het begin van de 16de eeuw naar een nieuw hoogtepunt toe. Het wijnbouwgebied van de Demer is de oorlogsverwoestingen echter niet meer te boven gekomen en het moet afhaken. Ook tussen Hoegaarden en Leuven is er een toenemende concurrentie. Zo worden in Leuven, vermoedelijk in de 16de eeuw, de accijnzen op Hoegaardse wijn opgetrokken.
Toch maakt de dranksector, onder invloed van de graanprijsstijgingen, de bevolkingstoename en de algemene economische achteruitgang van Oost-Brabant, rond de jaren 1560 een reconversie door. Men gaat zich meer toeleggen op de produktie van brandewijn en cider en natuurlijk bier. De strijd Leuven-Hoegaarden verplaatst zich dus van terrein.
In de tweede helft van de 16de eeuw wordt het economische leven door de godsdienstoorlogen echter met een vernietigende kracht getroffen. Deze treffen niet enkel de wijnproduktie, maar ook de koopkracht van de bevolking, zodat niet enkel het verbruik van landwijn, maar ook het verbruik van vreemde wijnen naar beneden duikt. Wanneer de rust is weergekeerd likt de wijnbouw haar wonden. Doordat op het einde van de 16de eeuw ook de druk van de lonen verder toeneemt, kan ze zich echter ter nauwernood handhaven. Bovendien hebben de Leuvense en de Hoegaardse wijnen meer en meer af te rekenen met de concurrentie van vreemde, goedkope wijnsoorten. Of een mogelijke klimaatsverkilling in de 17de eeuw nog op tijd kwam om de genadeslag te geven, valt dan ook te betwijfelen.