157
De dorpsgemeenschap Bekkevoort: Bevolkingsevolutie in de Nieuwe Tijd
De Bekkevoortse samenleving was in de eerste plaats een agrarische samenleving. Het merendeel der inwoners waren boeren die leefden van landbouw en veeteelt. Dagelijks bewerkte men zijn gronden, gebruik makend van ‘sijne peerden, ploege, eghe ende kerre’. Men moest zijn landen bemesten en cultiveren, ‘ende het houdt van de bosschen afvoeren’. De beroepsperspectieven waren beperkt, zeker voor ongeschoolden, waardoor de meeste kinderen thuis in het familiebedrijf werden ingeschakeld. De meeste gezinnen voorzagen in hun eigen bestaan. Zo bakten ze zelf brood, kweekten ze hun eigen vee voor vlees en melkproducten, en zorgden ze voor eigen groenten en fruit. Gezinnen waren groot. Zo was het hebben van een tiental kinderen niet ongewoon. De eigen kinderen waren immers “de enige waarborg voor de oude dag”. Hoe meer afstammelingen, hoe groter later de kans op opvang of financiële steun. In het landbouwmilieu betekenden veel kinderen ook nog een flink aantal onbezoldigde werkkrachten. Kinderen werden ook gezien als een gave van God, waarvoor men uiterst dankbaar moest zijn. Marinus Peeraerts en Anna Catharina Hulsen kregen tussen 1757 en 1777 niet minder dan tien kinderen, evenals Petrus Van Mellaert en Maria Theresia Maes in de periode 1775–1798. Het gezin van Henricus Van Surpel en Anna Catharina Nijs kreeg tussen 1764 en 1787 maar liefst vijftien kinderen.