97
PROBLEMEN MET HET KERKHOF TE WAANRODE
Rond 1846 was het kerkhof van Waanrode, gelegen rond de kerk, te klein geworden. Petrus Franciscus Vander Velpen, pachter van de kasteelhoeve, was bereid grond af te staan voor een vergroting aan de noorderkant. Aan de gemeente zou gevraagd worden om het straatje dat liep tussen het kerkhof en de grond van Vander Velpen, af te schaffen. Alzo werd besloten tijdens de kerkeraad van 18 oktober 1846. Met de gemeente werd op 8 november schriftelijk contact opgenomen.
Begin januari 1847 zag Petrus Franciscus Vander Velpen, die aanvankelijk van plan was wat grond te verkopen aan de kerk, af van de opbrengst van die verkoop en gaf "gratis aan de kerk van Waenrode den noodigen grond tot vergrooten van het kerkhof noordwaarts... op voorwaerde van door de haeg of kerkmuur te hebben eenen eeuwigen doorgang tot de kerk ten dienste der bewoonders van het pachthof toebehoorende aen zijne schoonmoeder Maria Elis. Vander Velpen." De kerkeraad stemde hiermee vanzelfsprekend in, maar wilde wel dat "de houten deur onder slot met alle hare toebehoortens zijn ten eeuwigen laste der gebruykers." Verder werden pastoor Roucourt en onderpastoor De Baus belast met de afhandeling van de zaak 'kerkhof'.
Dat het wel degelijk erg gesteld was met het kerkhof, werd duidelijk door een verklaring van Philip Vander Velpen, koster, die belast was met het aanwijzen van de plaats waar de doodskisten begraven moesten worden.
"Ik beken", zei hij op 6 februari 1847,
"1° dat ik geene plaets meer weet aen te wijzen omdat geheel het kerkhof vol steekt;
2° dat de grafmakers dikwils verpligt zijn te veranderen van plaets omdat zij op doodskisten uytkomen;
3° dat er genen put tot begravenis meer kan worden gemaekt zonder daer uyt te delven verschijdene doodshoofden en gebeenderen dikwils ongodsdienstig en zelfs onmenschelijk om te zien...'
Een maand later deden de grafmakers Franciscus Pieck en Joannes Veekhoven er nog een schepje boven op: "Wij ondergeteekenen belast om te maken het graf voor Andilia Marcoen begraven op den 3de dezer maend om vier namiddag bekennen na lang gezocht te hebben om plaets te vinden voor een graf te maken dewijl het kerkhof te kleyn is, zijn wij ijndelijk uytgekomen op een cadaver het welk geheel het dorp van stank vervuld heeft, zoo zeer dat de voorbijgaenders van den stank gingen loopen en wij met veele onaengenaemheid en leed den grafput hebben moeten opnieuw toevullen."
Spoed was dus vereist, maar ondertussen waren er problemen gerezen tussen bet gemeentebestuur en de kerkfabriek. Jan Louis Vander Velpen, burgemeester, werd niet herkozen als 'tresorier' of 'schatbewaarder' van de kerkfabriek. Hij pikte dat niet en het kwam tot een serieuze ruzie. Het gemeentebestuur liet de afschaffing van het voetwegje naast de kerk aanslepen. Het kerkhof bleef te vol. Bij Koninklijk Besluit van 29 september werd het gemeentebestuur dan toch gemachtigd om de weg te niet te doen. Maar aan
98
 |
|
Plan van de dorpskern van Waanrode, 1847.
|
99
de kerkfabriek meldde het dat dit pas zou gebeuren "zohaast het besture zal zien dat door het vergrooten van het kerkhof den weg moet gesupprimeert worden." De kerkfabriek kon niet volgen; voor hen was dat immers overduidelijk.
Het gekibbel hield niet op en men vroeg graaf d'Arschot Schoonhoven, senator, om op te treden als scheidsrechter. De kerkeraad schreef een verdedigingsschrift. Alle problemen en mogelijke misverstanden werden nogmaals op een rijtje gezet. Volgens de kerkfabriek zou al dat geruzie te wijten zijn aan een persoonlijk geschil tussen pastoor Roucourt en de burgemeester. Op 15 december 1847 verleende de gemeenteraad uiteindelijk de toestemming tot afschaffing van de weg. Niets stond nu nog de vergroting van het kerkhof in de weg.
Midden 1848 volgden vanwege de kerkfabriek een aantal reglementeringen over bet kerkhof. Men besloot:
"1° dat de wet in het maken der graven strenglijk moet onderhouden worden."
Dit wilde zeggen (wet van 12 juni 1804) dat:
- ider graf ten minsten twee meters diep en omtrent acht decimeters breed moet zijn;
- dat het een graf van het andere graf moet van afstand wezen hoofd en voetwaarts vier tot vijf decimeters en zijde waerts drij tot vier decimeters;
- dat waer begraven is men daer ten minsten vijf volle jaren moet wachten om er nieuwe graven te mogen uytdolven."
"2° dat in het vervolg elk, die afsterft, op rij af op te beginnen op het nieuw kerkhof moet begraven worden; pastoor en onderpastoor alleen zullen volgens oud gebruyk begraven worden voor de kerkdeur;
3° zoo mans verlangde eene bezondere begraefplaets te hebben... bet kerkfabriek behoudt de magt van dit toe te laten mits betalen twee honderd francs, aen de kerk honderd en de andere helft aen den armen der gemeente. Deze 100 francs gegeven aen den armen zal het kerkfabriek gebruyken om af in broed of in geld openbaerlijk in de kerk uyt te delen.
Gedaen te Waenrode in de pastorij den 2 Juluy 1848."
Met dit vergrote kerkhof zou Waanrode bet meer dan 100 jaar moeten stellen, totdat in 1964 bet nieuwe kerkhof aan de Molenstraat in gebruik werd genomen.
Ann VERHAEGEN, lic. gesch.
Bron : PASTORIEARCHIEF WAANRODE.
Verslagboek Kerkfabriek I, 1837-1849.