Boek InfoVoorbladInhoud150 jaar spoorlijn Leuven - TienenDe familienaam ColenPaardenprocessie Hakendover 1987De Tuchtkompagnie in DiestHoste en Genevenne (Deurne)Bibliografie van Oost-Brabant (40)Is overledenHerkomst van een dialectwoord : PlastronAchterblad
Oostbrabant 1987-3
Oostbrabantse Werkgemeenschap

102

De nederzettingen Hoste en Genevenne, de dorpskern en de uitbouw en ontsluiting van Deurne in de loop van de 19de eeuw.

Deurne, nu bij Diest, was tot de fusie van 1976 een zeer kleine maar zelfstandige gemeente in de noordoostelijke hoek van Brabant. Het dorp telde tot het midden van de vorige eeuw minder dan 400 inwoners en besloeg een oppervlakte van 625 ha. Van 1900 tot 1976 groeide het aan van 447 tot 1.540 inwoners (1).
Geografisch behoort Deurne tot de Kempense zandstreek. De zuidelijke en oostelijke grens (met Schaffen) wordt gevormd door de Grote Beek. In het westen situeert zich de uitloper van de Rodenberg (Engsbergen), in het noorden deze van de Looise Molenberg en Oosterberg. De oude baan Tessenderlo-Diest vormde destijds de noordwestelijke grens van de gemeente. Bijna in het midden van het dorp ligt de hoogte van Hamelteren (41 m). Op de noordelijke glooiing ervan bevindt zich het dorpscentrum : de kerk, de pastorie, het oude klooster met kleuterschooltje, een kapel, het gemeentehuis, de lagere school... Het is het fysisch midden dat in de loop van de vorige eeuw ook tot gemeentelijk centrum uitgegroeid is. Het huidige dorpscentrum was destijds een grote open vlakte (min of meer twee driehoeken tegen elkaar) met een poel in het rnidden en omkranst door enkele lemen huisjes, waarin sommige landbouwers (later) ook herberg hielden. Men noemde deze plaats den Driesch van Doorne (1788). Het toponiem dries, van het telwoord drie, komt volgens M. Gysseling voort van "driesprong van wegen", waaruit zich de betekenis van driehoekig pleintje ontwikkelde en bijgevolg ook de betekenis m weinig renderend of onbebouwd land (niet zelden hoger gelegen) en schrale weide. Deze verklaring past alleszins uitstekend voor de dries van Deurne, die omwille van de beschikbare ruimte in net midden van de 19de eeuw zeer geschikt was om de nieuwe dorpskern te worden. Op korte tijd ging de eerste dorpskern teloor en werd de vlakte systematisch opgevuld met noodzakelijk geworden openbare gebouwen en enkele private woningen.
In deze drie landbouwkernen speelden boerderijen die in verspreide gevestigd waren op de overgang van de hoger naar de lager gelegen gronden, in meer dan één opzicht een belangrijke rol. Waarschijnlijk klimmen de nederzettingen Hoste en Genevenne hoger in ouderdom op dan het dorpscentrum. Hoste, in de oudste schrijfvarianten Hofstede (= enkele hoeven bij elkaar), ligt tussen de hoogten van de Rodenberg, Hunberg en Hamelteren in. Genevenne, letterlijk ginds ven en in de oudste be

(1)
Voor uitgebreide informatie over wat volgt, verwijzen we naar onze studie over de geschiedenis van Deurne die in de loop van 1988 zal volgen. Graag betuigen we onze dank aan J. Severijns, G. Vaes en vooral Nicole Persoons voor informatie, tekeningen en gewaardeerde hulp.

103
scheiden (de hoevenederzetting) Ten Venne
(2) geheten, ligt in het zuidelijke en tegen het laagste deel van het dorp, nl. tegen het Broek, waar de Genevense Vliet en de Grote Beek vloeien. Ook hier lag een beperkt aantal hoeven bij elkaar gegroepeerd, klaarblijkelijk nabij een al lang verdwenen ven of waterplas. De belangrijkste boerderij was daar de Kleine Hoef of Strooihoeve, die al sedert de middeleeuwen door de Abdij van Averbode verpacht werd. In het centrum nam de Grote Hoef of Pannenhoeve een meer centrale plaats in dan men na de ingrijpende wijzigingen aan het landschap van de 19de eeuw zou aannemen. De pachter van deze abdijhoeve, in 1724 heropgebouwd en in 1986 jammer genoeg grotendeels afgebroken, was de "dikste boer" van het dorp. De grote, stevige schuur, o.a. door het gebruik van spieën (i.p.v. nagels) een bouwkundige prestatie van de Abdij van Averbode, getuigt als enig relikt van het oudste verleden van Deurne in het algemeen en van de aanwezigheid van de norbertijnerpaters in het bijzonder. Op de nabijgelegen gronden, destijds landerijen van de abdijhoeve, is een goed decennium geleden de woonwijk "Pannenhoeve" tot stand gekomen.
Laten we even de geschiedenis van Deurne opdiepen om de aparte situatie van het dorp te schetsen en de ontwikkeling en ontsluiting ervan ten volle te begrijpen. Vooral enkele kaarten van de 17de-19de eeuw leren ons hoe sterk de fysionomie van het dorp tussen 1830 en ca. 1880 gewijzigd werd. Het grondgebied van het de heerlijkheid Deurne maakte zeker sedert de late middeleeuwen (14de-15de eeuw) deel uit van het vroegere hertogdom Brabant. Voordien vjas deze heerlijkheid voorwerp van betwisting tussen de hertog van Brabant en de graaf van Loon (= Limburg). Deze strijd was alleszins voór 1300 in het voordeel van Brabant beslecht. Voor nagenoeg hetzelfde geld had Deurne onder Limburg kunnen ressorteren. Als dit het geval zou geweest zijn, zou het dorp aangezogen zijn door slokop Tessenderlo, waarop het eigenlijk aangewezen was. Het zou dan slechts een gehucht gebleven zijn, zoals Berg, Hulst, Schoot of Engsbergen. Zeker dit laatste was qua oppervlakte en bevolkingsaantal groter dan het zelfstandige Deurne !
De hedendaagse kaart toont duidelijk aan hoe Deurne en een deel van Schaffen als een Brabantse uitstulping in Limburg steken. Of moeten we stellen dat het grondgebied van Tessenderlo als de neus van Limburg in Brabant steekt? Vanuit Deurne kan men het overige deel van de provincie Brabant niet langs hoofdwegen bereiken zonder Limburg (Engsbergen of Meldert) aan te doen. Dit was des te meer waar voor de aanleg van de Hasseltsebaan naar Schaffen in de tweede helft van de 19de eeuw. Voordien was de verbinding Deurne-Schaffen door het Broek zeer erbarmelijk. Deze geografische gesteldheid verhinderde destijds een eventuele fusie van Deurne met Schaffen. Op die ligging nabij de grens zou ook de naarn Deurne wijzen. Deze werd vroeger Doerne, Doirne of Doorne geschreven, dit is doorn ol' doornstruik, een begroeiing die volgens lexi

(2)
Vergelijk de naam Kaggevinne, d.i. eigenlijk het Kaggeven of de Kaggepoel onder Schaffen, tussen het gehucht Schoonaarde en Schaffen-Dorp.

104
kografen als F. Claes S.J. wel eens als grensboom fungeerde, i.c. dan bij de staatsgrens tussen Brabant (Zuidelijke Nederlanden) en Limburg (prinsbisdom Luik).
Omdat het landbouwersdorp te klein was om een eigen pastoor en kerk te onderhouden en omdat het toch zeer dicht gelegen was bij de St.-Martinuskerk van Tessenderlo, waar de Abdij van Averbode eveneens belangrijke kerkelijke rechten als de tienden en de pastoorsbenoeming bezat, richtte Deurne zich voor de geestelijke behoeften de facto op de "buitenlandse" parochie Tessenderlo. De parochianen van het Brabantse Deurne werden tijdens het Oud Regime in de Limburgse kerk gedoopt er getrouwd en op het Looise kerkhof begraven. Volgens een eeuwenoude overeenkomst met de kerkfabriek van Tessenderlo droeg het gemeentebestuur van Deurne tot het jaar 1834 bij tot het onderhoud van de geestelijkheid en de kerk van de Limburgse naburen. Daarom moet men de kerk (en de pastorie), elders niet zelden het gezicht van een dorp, in het dorpsmidden van Deurne historisch vele eeuwen wegdenken. In andere Kempense dorpen met hun grote heidevlakten en diverse gehuchten, zoals Tessenderlo, zou de kerk centraliserend gewerkt en van de diverse gehuchten of nederzettingen één dorp gevormd hebben. De kerk zou zulke gemeente gemaakt hebben tot wat ze uiteindelijk geworden is. In Deurne heeft niet de kerk de kleine entiteiten Hoste, Genevenne en het dorpscentrum met de respektieve gemeenschapsgronden tot één kerkdorp of gemeente verenigd. Andere faktoren - zoals sociaal-ekonomische, politieke, geografische of bestuurlijke - moeten daarvoor gezorgd hebben.
Het oude klooster en de oude meisjesschool van de Zusters Annunciater van Huldenberg bestonden voor de 20ste eeuw evenmin als de kerk. De oudste gemeenteschool bevond zich niet waar het oude gemeentehuis nu staat, maar stond meer noordwaarts bij de oudste dorpskern, op de huidige Hasseltsebaan. De enige klas werd toen gehouden in een lokaaltje van een bouwvallig lemen boerderijtje, bezit van het gemeentebestuur. De woning met bijhorende hof was tot 1851 aan schoolmeester J. F. Meynckens, een selfmade man, als vergoeding ter beschikking gesteld. Ook de vroede vaderen van de gemeente hielden in dit armoedig gebouw zitting.
De oudste dorpskern, naast de nederzettingen Hoste en Genevenne, lag tot in de 19de eeuw nog iets meer neerwaarts op de Hasseltsebaan, halverwege tussen het gemeentehuis en de Langestraat. Rond een pleintje, waarop de schandpaal stond, lagen een achttal boerderijen. Deze oude nederzetting is op de fraai getekende kaart van 1788 duidelijk herkenbaar, in mindere mate ook op de kaart van j.-B. Guiot van 1823. Op dit ogenblik is weinig of niets meer bewaard dat aan dit oude gehucht herinnert, tenzij een kort doodlopend, zijstraatje van de Hasseltsebaan destijds in bredere vorm van dit, pleintje mee deel uitmaakte, evenals het erf naast woning nr. 59. Wie het weet, kan het zich enigszins voorstellen. Deze oppervlakte besloeg ca. twee hektare, was eigendom van de gemeente en bestond hoofdzakelijk uit land en weide. Alleen op de plaats waar nu de garage Beckers staat, lag sinds onheugelijke tijden het genoemde vijvertje, in het begin van de 19de eeuw bezit van P. J. Rutten (+ 1848), gewezen burgemeester en molenaar van Deurne. Het
105
Deurne 1823
Deurne 1823

106
gemeentebestuur kocht deze drinkpoel van de weduwe Rutten over, toen deze het water wilde dichtmaken en de grond bezaaien tot weiland. De poel was voor de omwonenden immers van te groot belang : in oude tijden voorzag hij mens en dier van drinken, en er kon brand mee geblust worden. In de zomer stond in de putten en grachten van "de Berg" (de Hamelterenhoogte) immers weinig of geen water. Op dit vijvertje zat eveneens vis. Pas in 1960 werd die poel dichtgegooid. Ondertussen hadden echter al andere belangrijke ingrepen in het dorpscentrum plaatsgevonden.
Het was begonnen met de bouw van een kerk, een jarenoude verzuchting van de toenmalige inwoners. De abt van Averbode wilde in de 18de eeuw hieromtrent niet over de brug komen. In de Franse Tijd, na het Konkordaat van Napoleon met de paus, werd Deurne in 1803 door de aartsbisschop van Mechelen als zelfstandige parochie erkend, waarmee een einde kwam aan de hybride toestand van Brabantse gemeente en Limburgse parochie. Bij gebrek aan middelen bleef het evenwel een parochie zonder kerk en zonder pastoor! In afwachting bleven de inwoners daarom eerst nog kerkelijk onder het Brabantse Schaffen, om vanaf 1816 opnieuw naar Tessenderlo ter kerke te gaan. Wegens de uiterst slechte verbinding met Schaffen was dit laatste veel gemakkelijker. De afstand met Tessenderlo was bovendien aanzienlijk korter! Na het ontstaan van België getroostten de dorpelingen en het gemeentebestuur zich alle mogelijke fysieke en financiële inspanningen om zo goedkoop mogelijk een kleine kerk op te richten. In mei 1834 werd daartoe de eerste steen gelegd. Op 22 januari 1835 zegende de deken van Diest het kerkhof in en vier dagen later wijdde hij de éénbeukige kerk die de H. Engelbertus als patroonheilige kreeg. Engelbert Sterckx (1792-1867) was toen aartsbisschop van Mechelen. In 1890 werd dit bedehuis neogotisch verbouwd en vergroot.
Met een kerk omgeven door een kerkhof beschikte het dorp over een opvallend referentiepunt. Nu zou het b.v. door voorbijgangers of kartografen niet meer over het hoofd gezien worden, zoals voorheen wel een" gebeurde. Ook werd het centrum een trefpunt waar de inwoners elkaar op zon- en feestdagen, bij doop, huwelijk en overlijden konden ontmoeten en samen de kerkelijke plichten vervullen. Eeuwenlang hadden ze zich daarvoor uit het eigen dorp moeten verwijderen!
Ook de pastorie stond er niet zo snel als de pastoor gewenst had. Een arme gemeente kan immers niet toveren! Het dorpsbestuur huurde voor de pastoor een "konvenabel kwartier", met name op de wat afgelegen Kiewithoeve. Na een ruzie tussen het bestuur en F. Mellaerts, de eerste parochieherder van Deurne (1834-1841), ging deze laatste in 1836 een tijdlang in Tessenderlo wonen ! Nu de brave parochianen na zoveel eeuwen eindelijk over een eigen pastoor beschikten, ging deze zich - zeer tot hun verontwaardiging en die van het gemeentebestuur - in een buurdorp ophouden ! De parochieherder eiste een volwaardige pastorie in Deurne, maar uitgerekend in het jaar 1841, toen de gemeenteraad gemeenschapsgrond verkocht om de pastoorsvroning te kunnen bouwen en tot uitbesteding van de werken wilde overgaan, gaf pastoor Mellaerts (allicht nog uit onvrede) zijn ontslag. In 1842 volgde J. J. van den Laer
107
(1842-1883) hem op. In dat jaar werd voor de nieuwe pastoor een kleine en zeer goedkope woning opgetrokken op hetzelfde perceel waar de huidige pastorie en waterput staan. In 1859-1862 werd dit gebouw met twee slaapkamers vergroot. Het geraakte snel in een deplorabele toestand wegens het tweede- of derdekeus materiaal, zodat tegen het einde van de 19de eeuw tot nieuwbouw moest besloten worden. De werkzaamheden vonden plaats in 1900-1901.
Een volgende etappe die al even sterk op de fysieke verschijning van het centrum en dus van het dorp ingreep, was de bouw van de lagere gemeenteschool in 1850. Zoals gezegd bevond het oudste klaslokaal zich meer bergafwaarts, richting Tessenderlo. Wegens het water dat bij regenweer van "de Berg" kwam, was dit gebouw zeer vochtig en ongezond. Een nieuwe school - klaslokaal, onderwijzerswoning en gemeentelokaaltje - werd dat jaar door H. Claes van Diest opgetrokken op het parkeerterrein op de hoek van het huidige gemeentehuis en schoolgebouw. Een steen met de naam van "Borgemeester J. F. Valgaers" getuigde meer dan een eeuw dat de gemeente tijdens zijn lange ambtstermijn (1848-1872) verder uitgebouwd werd. Als school, te klein en eveneens van te slecht materiaal, heeft dit gebouw niet lang gedeugd! Al in 1877 diende een nieuw lokaal gezet te worden, nu met de voorgevel langs de Hasseltsebaan, links van het huidig gemeentehuis. Langs weerszijden lagen de speelplaatsen, één voor de jongens en één voor de meisjes. In Deurne bestond op dat ogenblik nog geen (vrije) meisjesschool. De oude school, waarop een verdieping getrokken werd, ging van toen af alleen dienst doen als gemeentehuis en onderwijzerswoning. Bezijden de school en de speelplaatsen lag aan 't Meilrijk de grote tuin van de schoolmeester. Een en ander bepaalde tot ca. 30 jaar geleden het gezicht van het dorpscentrum.
De oprichting van het nieuwe schoolgebouw op wat nu de hoek vormt van de Hasseltsebaan en 't Meilrijk, bracht meer leven op het centrum met zich, maar ook de teloorgang van een groot gedeelte van het open plein in het centrum. De vroegere Tessenderlosestraat of Dorpsstraat (nu Hasseltsebaan) en de Bredestraat (nu 't Meilrijk) liepen destijds in een bocht op dit plein breed in elkaar over. De school maakte dat deze twee straten haaks op elkaar kwamen te staan, zodat een (nog ongevaarlijk) kruispunt ontstond. Na de kerk en de pastorie werd op zeer korte tijd een tweede groot stuk uit het open dorpsmidden gehapt. De centrale ruimte werd steeds minder ruim maar meer centrum !
Onder burgemeester J. F. Valgaers werd ook een buitengewone inspanning geleverd om de zandwegen te verbeteren en het dorp te ontsluiten. Ook in andere dorpen, b.v. Tessenderlo, werden in die periode belangrijke infrastruktuurwerken uitgevoerd. Tot in de 40-er jaren van de 19de eeuw bezat de besloten Kempense gemeente geen enkele steenweg of kiezel. Zij raakte slechts in het noordwesten aan de baan Tessenderlo-Diest, die het gehucht Hoste toen nog ten dele omlijnde. Deze baan lag op de gemeentegrens en was de enige belangrijke verbinding net de buitenwereld. Toen van deze baan een steenweg werd gemaakt, werd het traject in Deurne volledig gewijzigd in plaats van om Hoste (en de gemeente) te lopen, trof de nieuwe, rechte en grote kasseibaan Hoste in het
108
hart, eveneens een open ruimte. Daardoor werd het gehucht in tweeën gekapt. Van een eigenlijke kern valt nog weinig te bespeuren. De bestaande weg, toen Vekenblokstraat geheten, verschrompelde vlug tot een karrespoor en lag er maar "onnozel" bij. Het deel nabij het centrum van Hoste werd spoedig opgedoekt en door de aanpalende eigenaren in land omgezet. De hoofdader Tessenderlo-Diest ontsloot het dorp in belangrijke mate en liet vanuit Tessenderlo gezien het dorpscentrum en Genevenne volledig links liggen, zodat deze hun rustig karakter nog behielden.
In het jaar 1868 werd de huidige Hasseltsebaan, de tweede verkeersader, op slechts ten dele bestaande tracés getrokken. Het werd meteen de tweede verharde weg. In de zuidelijke helft van het dorp was deze voortgetrokken in de richting van Schaffen, zodat Deurne niet alleen een degelijke aansluiting kreeg op dit laatste dorp, maar ook op Kermt en verder naar de hoofdplaats van Limburg. De Schomstraat (toen nog onderdeel van de Langestraat) werd in dit laatste jaar gekasseid en verbond de twee hoofdaders met elkaar. De bewoners van Hoste beschikten nu over een goede verbinding met het dorpscentrum. De Hasseltsebaan of Kiezel, die door de heuvels loopt die de Kempen van de Demervallei scheiden, ontsloot dit centrum in noordelijke en vooral in zuidelijke richting. Voor het eerst werd de dorpskern met regelmatig doorgaand en vreemd verkeer gekonfronteerd.
In 1870 werden eerste grote verbeteringswerken uitgevoerd aan de huidige J. Vanzeerstraat (toen Stationsstraat, voordien Kapelstraat). Bij de kleinste regenvlaag was deze aarden weg immers onbegaanbaar en onberijdbaar, ook voorbij het kapelletje dat er al van oudsher stond en de naam aan de oorspronkelijke straat gegeven had. Het karrespoor lag immers dadelijk vol modder en het water dat van de Hamelteren afspoelde, zette het gebied a.h.w. om in moeras. Pas omstreeks 1880 werd dit euvel definitief verholpen door verbreding en verharding van de weg. Dit was niet alleen nodig wegens de genoemde omstandigheden, maar ook omdat in Deurne intussen een spoorlijn en, aan de J. Vanzeerstraat, een station gekomen waren. Het verlengde van de J. Vanzeerstraat, voorbij de spoorweg, kwam tegen het einde van de vorige eeuw aan bod, zodat de twee verkeersaders van Deurne voor een tweede maal goed met elkaar verbonden werden.
In 1876 werden de werken aan de spoorweg Tienen-Diest-Tessenderlo-Mol aangevat. Deze baande zich in Deurne een weg tussen de uitlopers van de Rodenberg en Hamelteren. In 1878 was de lijn klaar en in Tessenderlo reed de eerste stoomtrein op 26 mei van dat jaar het station binnen. Al sneed de spoorweg Hoste enigszins af van de rest van het dorp en al trok hij een derde streep door het landschap in noord-zuidrichting, de trein en het station openden het dorp meer dan ooit en vergrootten de mogelijkheden van zijn inwoners en hun bedrijvigheid. Het station werd in de 50-er jaren afgeschaft. Autobusdiensten Diest-Mol en Tessenderlo-Hasselt kwamen in de plaats.
Voor de kleine kern Genevenne, in het Oude Regime toch van enige betekenis (schans, wip van een schuttersgilde... en een kleine abdijhoeve
109
aan een niet meer te herkennen centrale ruimte) was de spoorweg evenmin een goede zaak. Dit gehucht werd immers ook doormidden gereten, gelukkig bezijden de oude kern van weleer. Wegens de geringe oppervlakte, de weinige inwoners en de ligging tegen het Broek, waar de gronden van mindere kwaliteit (vooral hooiland) zijn, kon ook dit gehucht zich niet ten volle ontplooien. Pas in de 60-er jaren van onze eeuw werd er een weinig gemeentegrond verkocht, wat bouwgelegenheid schiep. De enkele wegen waren, op de Engsbergsesteenweg na, tot enkele decennia geleden niet verhard. Oudere inwoners vertellen dat zij in hun jeugd gemakkelijkheidshalve wel eens door de grachten van Genevenne naar de school liepen in plaats van over de straat! De Engsbergsesteenweg werd rond de eeuwwende aangelegd als kasseiweg. Hij zorgde voor het eerst voor een goede verbinding tussen Deurne en het naburig Looise gehucht, tussen de Tessenderlosesteenweg en de spoorweg Hasselt-Antwerpen in Zichem. Dit verbeterde in aanzienlijke mate de kontaktmogelijkheiden met de regio ten westen van Deurne.
De jaren tussen 1830 en 1880 vormen een scharnierperiode in de geschiedenis van Deurne. Nooit voordien is de ingreep in het landschap zo groot geweest. Op een kleine halve eeuw - van de bouw van de kerk tot aan de aanleg van het spoor - veranderde het dorp geheel van gezicht. De gehuchten Hoste en Genevenne en de oudste dorpskern boetten sindsdien aan belang van verschijning in ten voordele van het dorpscentrum en het oostelijk deel van het dorp, waarover we nog nauwelijks gesproken hebben. In het oosten lagen de beste gronden, b.v. tussen de Bredestraat en de Langestraat, waarvan de bewoners tot het dorpscentrum hoorden. Op de kaart van 1823 ziet men dat de huisvesting plaatsgevonden heeft langs die gronden, zoals b.v. ook langs de straat Genevenne, eveneens een strook met gronden van goede kwaliteit. In het oosten waren tot in de 19de eeuw eveneens veruit de meeste gemeenschapsgronden (heide) en bossen (loof- maar vooral dennenbossen) gelegen, alsook eigendommen van Diesterse grootgrondbezitters als de familie Cantillion (die het Kiewitkasteeltje er in de 19de eeuw gebouwd heeft als buitenverblijf en "speelhuis'') en Wathieu. In het zuid-oostelijk kwartier van Deurne lagen een tot in de eerste helft van de 19de eeuw de Pannenhoeve en de landerijen (meer aan 80 ha!) van de abdij van Averbode, met tegen het Broek vooral hooiland, en de nu verdwenen windmolen. Aan deze laatste herinnert nog alleen de benaming Molenberg. Wegens de Looise lozing van chemische afvalwaters in de Grote Beek, waarvan Deurne al voor de oorlog last had, zijn de gronden in het Broek (tegen die beek) in de 60-er jaren fel in waarde verminderd, zodat vreemde opkopers ze op goedkope wijze konden verwerven. In tegenstelling tot in het westen werden in het oosten van het dorp in de 19de en een groot stuk van de 20ste eeuw nagenoeg geen wijzigingen aangebracht. Met de wegen was het er bijgevolg zeer erg gesteld. In de richting van Paal is nooit een weg tot stand gekomen, wellicht omdat het Broek te slecht was en ook omdat aan zulke verbinding weinig of geen nood was, en wat nu 't Meilrijk heet (vroeger Bredestraat), werd pas enkele decennia geleden verhard. Voordien woonden er trouwens geen mensen. De wagens en karren zakten er tot een kwarteeuw geleden een halve meter diep in de sporen! Pas toen een jonge ploeg de politieke fakkel in het dorp overnam van J. Lorreyn, burgemeester van 1933 tot 1964, en een einde maakt aan een ja
110
renlang konservatief bewind, kon in Deurne overgegaan worden tot modernisering van de infrastruktuur en tot verkaveling en verkoop van gemeentegrond. Dit gaf aanleiding tot kleine en grotere verkavelingen als 't Meilrijk, Korte Heide, Genevenne (ca. 20 bouwplaatsen), Pannenhoeve (ca. 60 plaatsen) en iets verder Valkhoeve (ca. 75 plaatsen voorzien). Het bracht mee dat jonge gezinnen in het dorp konden blijven wonen - voordien was er geen bouwgelegenheid gekreëerd, op een kleine verkaveling (ca. 20 plaatsen) tegen de Vekenblokstraat in de 50-er jaren na ! - maar ook dat vreemden aangetrokken werden, van wie een deel zich weinig bij het lokaal gemeenschapsleven betrokken voelde en/of voelt.
Het gezicht van het centrum en het patroon van het dorp zijn in de 20ste eeuw grosso modo niet fundamenteel meer gewijzigd. Ze zijn ondanks belangrijke technische verbeteringen, noodzakelijke renovaties of aanzienlijke nieuwbouw gebleven zoals ze door de eeuwen heen, maar vooral in het midden van vorige eeuw, gestalte gekregen hebben. De dorpskom, die in dit landbouwersdorp met geringe bevolking en voor de Kempen typische verstrooiing van woningen (zie de kaart van 1823) vóór 1830 eigenlijk niet bestond en vbór de oorlog slechts in geringe mate, werd in de loop van de 20ste eeuw slechts verder opgevuld, zoals uit wat volgt blijken mag.
In het begin van de 20ste eeuw vestigden de Zusters Annunciaten van Huldenberg zich in Deurne om vanaf september 1909 aan meisjes van 6 tot 14 jaar les te geven. Zij bouwden een klooster in het centrum (J. Sweygersstraat), schuin tegenover de kerk en het kerkhof. Naast hun verblijf en op de hoek van het Hamelterenpaadje lieten ze hun kleine kapel optrekken en daarachter het schoolgebouw. In een lokale schoolstrijd ging deze aangenomen lagere school in oktober 1975 ten onder, net voor de fusie van 1976. De gemeenteschool, die toen eveneens amper het hoofd boven water kon houden, werd definitief gemengd. De zusters hadden de gemeente al in 1968, enkele jaren na het tweede Vatikaans Koncilie, wegens gebrek aan religieuzen verlaten. In het klooster is nu een bankfiliaal gevestigd, de kapel werd in 1974 eigendom van de kerkfabriek en in de oude meisjesschool bleef alleen het parochiale kleuterschooltje bewaard.
Aan de andere zijde van het Hamelterenpaadje ligt een primitief gebouwtje, dat zoals de ingemetselde steen getuigt sedert 1930 dienst deed ais "gildezaal". Om dit te kunnen bekostigen had pastoor J.-L. Sofferie grond verkocht aan pachter Severijns van de Pannenhoeve. De pastoor liet deze zaal bouwen op verzoek van de Landelijke Gilde en het bestuur van de fanfare St.-Isidoor, die in mei 1927 gesticht was. De muzikanten hadden al drie jaar, op de Pannenhoeve hun partituren geoefend en kregen dus in 1930 een oefenlokaal met podium. Schooltje, kapel, gildezaaltje en omgeving liggen er verwaarloosd bij. In 1959 werd een nieuwe, soortgelijke barak links van de pastorie opgetrokken. Dit onderkomen was bedoeld voor vergaderingen van de lokale verenigingen. Menig feest van komnunikanten of huwelijkspaartjes is daar gevierd. Het verenigingsleven en kulturele peil van de inwoners kwam ermede tot bloei. In 1973 stond deze barak er al even slordig bij als haar voor
111
loper en in 1987 werd ze opgedoekt. Dit kwam het dorpsbeeld ten goede, zeker nadat de pastorie, de pastoorstuin en het oude kerkhof huis voordien al gerenoveerd en verfraaid waren. Plannen om deze na de oorlog zeer erg in verval geraakte pastorie te slopen, lagen in de 70-er jaren kant en klaar, maar waren politiek blijven steken. De oude begraafplaats nabij de kerk is gedoemd om te verdwijnen. Sedert 1968 is ze gesloten, omdat het niet meer om aan te zien was hoe de overledenen in deze grond met zeer hoog grondwaterpeil begraven moesten worden. Enkele graven zullen blijven staan, mogelijk die van de volgende notabelen : grootgrondbezitter en provincieraadslid J. Cantillion, onderwijzer H. Vanleeuwe (1854-1935), de vier slachtoffers van de Looise fabrieksontploffing, "de ramp" (29.4.1942), veldwachter August Appelen (1874-1945), J. vander Straeten, L. Cools de Dorne, burgemeester J. Rutten (1862-1934) ... Het nieuwe kerkhof bevindt zich buiten het dorpscentrum, ten westen van de Kapelstraat. Het oudste graf, van oudstrijder Fr. Loots, dateert er van 1954. Voor een beperkte renovatie van de dorpskerk liggen de Diestse plannen klaar. Een steen in de voorgevel van het bedehuis herdenkt de twee Deurnse gesneuvelden van de eerste wereldoorloog J. Vanzeer en J. Sweygers, naar wie de twee straten aan het kerkplein genoemd zijn. Een opvallende wijziging aan de dorpskern werd aangebracht door de bouw van een garage en woonhuis op het plein aan de kerk. Dit kon gebeuren toen het gemeentebestuur in 1960 een deel van haar grond in het centrum verkocht. Daar lag het eerdergenoemd vijvertje en stond een klein kapelletje. De koper kon de grond verwerven op voorwaarde dat hij er zijn huis en de garage zou bouwen. Deze handelszaak staat als enige buur van de kerk en de pastorie enigszins ongelukkig in de dorpskern, waar de eeuwenoude ruimte nu nagenoeg volledig door gebouwen ingepalmd is. Met de opbrengst van de grond bekostigde het gemeentebestuur een dodenhuisje op het nieuwe kerkhof en een nieuwe veldkapel aan de andere zijde van de kerk. Dit laatste gebeurde in 1962. Rondom werd beplanting aangebracht, zodat het kapelletje na een kwarteeuw nu wat verscholen ligt. Dit is misschien maar goed ook, want twee kapellen en een kerk op enkele meters van elkaar is van het goede wat veel ! Vermelden we hier terloops ook dat naast deze bedehuisjes nog veldkapelletjes staan in de oude kern van Hoste, in de J. Vanzeerstraat, nabij de Molenberg, in de Langestraat (geplaatst door de "Landelijke Gilde 1903-1983"), halverwege en op het einde van t'Meilrijk, en een klein houten kapelletje tegen een boom in de Kapelstraat. Een houten kapelletje in Genevenne werd na W.O. II vervangen door een van keien uit Keilbergen (Schaffen). Dit werd wegens de bouw van een woning omstreeks 1971 afgebroken en met restanten ervan heropgebouwd in de tuin van de familie Gauquier-Dewit in Genevenne. Aan de Hasseltsebaan, in het zuiden van het dorp, staat een grot die gebouwd werd onder pastoor C. Bogaerts (1884-1896) ter herinnering aan de diefstal van de H. Speciën in de kerk op 27-28 juli 1891. De boomstam waarop de hosties teruggevonden werden, blijft nog steeds ter plaatse bewaard. De kruisweg rondom de grot, waarheen de jaarlijkse processie trok, is van recente datum.
Keren we echter terug naar de andere kant van het dorpscentrum. Daar verrezen na de laatste oorlog een nieuw gemeentehuis en een nieuwe school. Het aantal leerlingen groeide immers aan - in 1937 was een
112
Deurne 1987 (G. Vaes)
Deurne 1987 (G. Vaes)

113
tweede onderwijzer aangeworven - en het gebouw verkeerde volgens het verslag van de hoofdinspekteur al in 1941 in een erbarmelijke staat. Men zou toen spoedig een school met drie klaslokalen bouwen. Het kwam er evenwel niet van. In 1947, toen een derde onderwijzer benoemd werd, wilde men één klas in het stationsgebouw onderbrengen, maar uiteindelijk opteerde men voor een noodklas in de keuken van het onderwijzersverblijf! Pas in 1955 kon het nieuwe schoolgebouw opgetrokken worden op de plaats waar het nu nog staat : met de gevel aan 't Meilrijk. Op een ingemetselde steen lezen we "1955 - Lorreyn J. - Burgemeester - Debruyn L. - Architect". Waar zich de huidige noodklas en het witte hekken bevinden, was een overdekte speelplaats met schoolpoort gebouwd, die evenwel niet lang standhield! De vroegere toilettenruimte doet nu dienst als overdekte ruimte. Het nieuwe gemeentehuis kwam tot stand op de plaats waar het oude gestaan had. Tegen het einde van 1957 werd het in gebruik genomen. Beide gebouwen verfraaiden de dorpskom in niet geringe mate, Deze modernisering was een eerste uiting dat de gemeente aansluiting zocht bij de "moderne tijd". Na de verkiezingen van 1964 zette deze vernieuwingsdrang zich voorgoed door . verbetering van de infrastruktuur en kreëren van woongelegenheid in de 60-er en 70-er jaren volgden b.v. verhardingswerken in de belangrijkste straten. Tot dan was alleen de Tessenderloseweg van beton, de Engsbergsesteenweg, de Schomstraat, de J. Vanzeerstraat en de Hasseltsebaan gekasseid of geasfalteerd. De voetpaden en andere straten waren enkele jaren na de oorlog met vele tonnen asse van de Louise fabrieken bedekt. De asfaltering van 't Meilreik, de Kapelstraat, de J. Sweygersstraat, rondom het, gemeentehuis en school, de Langestraat, enz. veranderden het dorp van uitzicht en zorgden voor een tot dusver ongekende luxe. De kroon op het werk werd in 1912-1973 gezet met de bouw van de SOK achter de school en de speelplaats. Dit gebouw met grote feest- en toneelzaal, biblioteek, vergaderrruimte, sportzaal, drankgelegenheid en ruime parkeerplaats werd een trefpunt en ontmoetingscentrum voor de inwoners, par hianen en verenigingen. Daarbij kocht de gemeente nog aangrenzende grond voor de twee voetbalterreinen, waaraan een sportlokaal toegevoegd werd. Het kleine Deurne was grotendeels uitgebouwd... en klaar voor de fusie met Diest die nog door vele inwoners betreurd wordt !
J. Mertens
Hechtel
1. St.-Engelbertuskerk14. Gemeentehuis
2. Kerkhof15. Parking
3. Pastorie16. Speelplaats
4. Garage17. Overdekte ruimte
5. Kapel18. Feestzaal SOK
6. Parochiezaaltje19. Sportvelden
7. J. Sweygersstraat20. Pannenhoeve
8. Kloostergebouw (nu bankfiliaal)21. Molenberg
9. Kloosterkapel22. Kiewitkasteeltje
10. Oude meisjesschool en kleuterklassen23. Kapelletje
11. Hamelterenpaadje24. Station
12. Gildezaaltje25. Voormalige strooihoeve
13. Gemeenteschool26. Grot