Boek InfoVoorbladInhoudDe XIII-maal bedevaart te HakendoverOproep : VolksgerichtenLokalisering van toponiemenKattestraat en KabbeekMoord te Tienen in 1804Carolus VervoortEen Oostbrabants Dialectoloog : J.L. Pauwels.Tentoonstelling WezemaalHof Ten Hove LubbeekPastoors, geestelijken en kloosterlingen te HakendoverOproep : Het weer in het verledenKon(d)eminneOverledenGroen landHagelandse woorden : Knoesel, Kroesel en KronselAchterblad
Oostbrabant 1986-2
Oostbrabantse Werkgemeenschap

66

EEN OOSTBRABANTS DIALECTOLOOG : J.L. PAUWELS

Nadat in 1922 Prof. L. Grootaers aan de Leuvense universiteit een "Zuidnederlandse dialectcentrale" had opgericht, kende het dialectonderzoek in Vlaanderen - meer bepaald te Leuven en te Gent - een bloeiperiode : de vele enquetes (gebaseerd op systematische vragenlijsten) boden een schat aan materiaal voor synthetische studies, waarin het dialectlandschap van Vlaanderen kon worden uitgetekend en vastgelegd in kaarten, die de verspreiding van woorden an, in mindere mate, grammaticale verschijnselen in beeld brachten. In de uitbouw van de Leuvense en Vlaamse dialectologie speelde Jan Lodewijk Pauwels, die in 1899 te Aarschot werd geboren en thans als kloeke octogenarius te Heverlee woont, een uitermate belangrijke rol (1). Deze energieke Oostbrabander heeft door zijn uitgebreid wetenschappelijk werk, door zijn academische opdrachten (die hij met brio en overgave vervulde), en door zijn charisma heel wat studenten in de Germaanse taalkunde alsook vele taal- en dialectliefhebbers warm gemaakt voor het dialectonderzoek, voor de geschiedenis van de Nederlandse taal en de Nederlandse woordenschat, ja zelfs voor meer dorre materies, zoals de spellingsproblematiek en het verzorgde taalgebruik. Op al doze terreinen toonde hij zich steeds een origineel en onafhankelijk onderzoeker, een man met scherpe inzichten - die hij ook holder kon verwoorden en op een pedagogisch verantwoorde manier doorgeven -, een nooit afgevend -zoeker, streng en eerlijk voor zichzelf en de anderen. Die kwaliteiten verklaren ook waarom Pauwels uitgroeide tot een nationaal en internationaal erkende autoriteit op het gebied van de Nederlandse dialectologie en op het vlak van de Nederlandse beschrijvende en prescriptieve taalkunde (2).


(1)
Pauwels schreef trouwens een rijk gedocumenteerd overzicht over de Nederlandse taalkunde in Vlaanderen tussen 1890 en 1940 (met bijzondere aandacht voor de dialectstudie), in Het Boek in Vlaanderen 1941, p. 5-62. Over leven en werk van L. Grootaers schreef hij twee uitvoerige bijdragen . "Bio- en bibliografie van Prof. Dr. L. Grootaers", in Album Grootaers, 1950, p. 7-30 en "Levensbericht van Ludovic Grootaers", Jaarboek van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde 1958, p. 181-208. Zie ook Orbis 4, 1955, p. 260-266, en 6, 1957, p. 582-583.
(2)
Ook als foneticus verwierf Pauwels gezag; dat blijkt o.a. uit het feit dal hij een plaats kreeg in de Biographical Dictionary of the Phonetic Sciences (ed. A.J. Bronstein, L.J. Raphael; C. Stevens), New York, 7977, p. 162-163. Over het wetenschappelijk oeuvre van Pauwels kan men het fijnzinnige artikel van F. Van Coetsem lezen : "Jean Louis Pauwels", in Orbis 7, 1958, p. 606-612. Zie ook de "Huldiging van J.L. Pauwels" door J. Goossens, in Jaarboek 1977 van de Koninklijke Academic voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, p. 172-176.

67
De weg die hiertoe leidde, was echter een kronkelpad : pas in 1942 werd Pauwels benoemd aan de Leuvense universiteit. Tot dan had hij in het middelbaar onderwijs gestaan : eerst in het atheneum te Leuven (voor hij in 1923 het diploma van doctor in de Germaanse filologie behaalde), nadien (van 1923 tot 1940) te Chimay en te Elsene. Uit die lange (en moeizame, doch verrijkende) praktijk van Nederlands taalonderricht (hoofdzakelijk aan anderstaligen) groeide een van Pauwels' vele boekpublikaties, minder bekend bij de Vlaamse Germanisten, maar waarschijnlijk het best verkochte werk van de auteur : Les difficultes de la construction de la phrase neerlandaise (Luik 1941). Dit boek, dat het licht zag samen met de Exercices et themes sur les regles de la construction de la phrase neerlandaise, kende nog twee uitgaven in de jaren veertig (1945, 1949); in 1971 verscheen de zevende uitgave ervan. Het is veel meer dan een praktisch handboek : Pauwels biedt hier een originele studie van de Nederlandse zinsbouw, en dit gebalde work blijft een bron van inzichten.
In 1940 werd Pauwels opnieuw leraar aan het Leuvense atheneum, caaar hij tot 1948 zou blijven. Ganaf 1942 was hij tegelijkertijd ook lector aan de universiteit, waar men uiteindelijk niet meer naast zijn waslijst van wetenschappelijke publikaties kon kijken (3) . Tussen 1929 en 1942 had Pauwels immers een indrukwekkende reeks dialectstudies laten verschijnen : over de benaming van de kaan (1929), van de sering (1929, 1937), van de bunzing (1931), van de hark (1932), van de bak- of maaltand (1931), van de vlinder (1935), de klaproos (1938) en de pioen (1938), en over de naam van het O.- L.- Heersbeestje in de Zuidnederlandse dialecten. Deze laatste stude (van 1929) werd aangedikt en in 1941 a1s boekje uitgegeven : Het Onze-Lieve-Heersbeestje in de dialecten en in de folklore. Een taalkundi e en folkloristische studie Antwerpen-Prussel). Voordien, in 1933, had Pauwels, met de medewerking van zijn promoter Grootaers, zijn eerste meesterwerk gepubliceerd, over het thema waarvan hij de wetenschappelijke autoriteit blijft : Enkele bloemnamen in de Zuidnederlandse dialecten ('s Gravenhage). De blcemnamen, hun geschiedenis en hun dialectvormen, zijn voor Pauwels een essentiele component gebleven van zijn taal- en volkskundige interesse, en van zijn wetenschappelijk oeuvre. Maar voor hij benoemd word aan de Leuvense universiteit, had Pauwels ook reeds op andere terreinen zijn naam gevestigd : op dat van de spellingvereenvoudiging (4) , op het vlak van de klank- en vormleer van het Zuidnederlands (o.a. door een aantal gedetailleerde studies over typische klank

(3)
Voor een bibliografie, zie J.L. Pauwels, Verzamelde opstellen, Assen, 1965, p. 218-231, en Melanges offerts au professeur J.L. Pauwels à l'occasion de son emeritat (ed. E. Vieuwborg), Louvain, 1970, p. XIX-XXXVI. Lopende bibliografieën verschenen in de Jaarboeken van de Academic.
(4)
Zie de volgende werken van Pauwels : De spellingkwestie . Het standpunt van een Zuidnederlands vereenvoudiger, Antwerpen, 1934, en Zuid-Nederland en de spelling vereenvoudiglng, Antwerpen, 1938.

68
verschijnselen in het Nederlands van Vlaanderen, en vooral door een lange reeks studies over het geslacht der substantieven in Vlaanderen
(5)), en op het vlak van de locale dialectstudie. En misschien ligt Pauwels' grootste verdienste wel op dit laatste vlak.
De belangstelling voor het Aarschotse dialect - waaraan Pauwels zijn doctoraal proefschrift had gewijd (6) - leidde al tot een eerste publikatie in 1933 : "De taal te Aarschot" (verschenen in het Jaarboek van het college te Aarschot, 1933, p. 1316). Deze word spoedig gevolgd door artikels over de taal in het Hageland (verschenen in De Demervallei, Antwerpen, 1935, p. 31-40), over Oostbrabantse woorden, uitdrukkingen (7) en plaatsnamen (1935, 1936, 1938, 1939, 1940), maar vooral over specifieke kenmerken van het Aarschots (klankleer; vormleer : voornaamwoorden, ontkenning, tussenwerpsels). Na zijn benoeming aan de Leuvense universiteit, waar hij in 1954 ordinarius werd (en een karrevracht cursussen toevertrouwd kreeg), bleef Pauwels actief op alle bovenvermelde terreinen. Toch mag men stellen dat de dialectstudie zijn geliefkoosd terrein bleef : dat blijkt niet alleen uit de meer dan honderd artikels die hij publiceerde in vaktijdschriften als Leuvense Bijdragen, Taal en Tongval, Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie (waarin hij tussen 1952 en 1957 uitgebreide overzichten, vol van interessante bedenkir.gen, van de Nederlandse dialectstudie en taalkunde verzorgde), en de Verslagen en Mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, maar vooral uit de onvolprezen studie Het dialect van Aarschot en omstreken (7.958). Dit uit twee kloeke volumes bestaande werk (vol. I : Tekst, XXIII-341 p.; vol. II : Kaarten, 268 + XI p.), een aangepaste versie van Pauwels' doctoraat van 1923, is de meest volledige beschrijving die ooit van een Nederlands dialect werd gemaakt, en behoort internationaal bekeken tot de meesterwerken van de dialectstudie (8). De kwaliteiten van het werk zijn vlug opgesomd (maar de kunst be

(5)
Zie vooral zijn synthese van 1938 : Bijdrage tot de kennis van het geslacht der substantieven in Zuid-Nederland, Tongeren, 1938.
(6)
Het dialect van Aarschot en omgeving. Een fonetische-historische studie, Leuven, 1923 (niet gepubliceerd in deze vorm).
(7)
Cf. het erg belangrijke artikel over de uitdrukking "doe sen ezel", verschenen in de Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie 14, 1940, p. 55-60.
(8)
Het volume met de tekst bevat, naast een inieiding, een uitvoerige klankleer (op historische basis), een gedetailleerde studie van do woordklassen en van de woordvorming, on een uitgebreid aanhangsel over do ontkenning in het Zuidbrabants en het Afrikaans. Vooraan in het boek vindt men tevens de lijst van Pauwels' publikaties (tot 1958) over het Aarschots (36 titels, met: korte samenvatting; p. XI-XIV).

69
staat erin het recept waar te maken) : volledigheid
(9), systematisatie, precisie en diepgang van de beschrijving. Na de publikatie van deze summa bleef Pauwels niet bij de pakken zitten. Zo publiceerde hij in 1961 een Aarschotse dialecttekst, en een studie over het gebruik van "dik" in het Aarschots, later gevolgd door o.a. studies over het woord fontonten (flauwekul, flauwiteiten) (1971), over koezen en koezelen (1975), over uitroepzinnen (1975) en over uitdrukkingen met "godweet" en "wieweet" (1983), telkens met vele voorbeelden uit het Aarschots. Geïnteresseerde lezers kunnen, bij gebrek aan tijd, misschien het best terecht bij drie breder opgezette, geed gestoffeerde, artikels van Pauwels : "De taal te Aarschot (tweede deel)" (Eigen Schoon en De Brabander XLVII, 1964, p. 81-96), "De dialecten in het Hageland" (in het verzamelwerk Oost-Brabant, tweede uitgave, 1965, p. 49-58) en "Het dialect van Aarschot" (in Gedenkboek honderd jaar Sint-Jozefscollege to Aarschot (1876-1976), p. 87-107).
Zoals reeds gezegd, had Pauwels had andere pijlen op zijn boog, en tussen 1942 en 1970 (het jaar waarin hij emeritus werd), wierp de academicus zich op als de autoriteit voor spellings problemen, woordkeuze en woordvorming. Zo publiceerde hij o.a. in dit verband, naast tientallen bijdragen in Nieuw-Vlaanderen, Nu Nog, Dietsche Warande en Belfort, een Toelichting bij de nieuwe spelling van het Nederlands (Antwerpen, 1945), een Toelichting bij de nieuwe woordenlijst van de Nederlands Taal (Leuven, 1954) (10) , en bijdragen over de spelling van bastaardwoorden (1967, 1969), over de medische terminologie (1956) en over "Moeilijkheden met de benaming van onze taal" (Handelingen van de Vlaamse Filologencongressen 24, 1961, p. 9-24) (11).
Als sleutelfiguur in een halve eeuw Nederlandsche taalkunde, heeft Pauwels steeds belangstelling gehad voor wat anderen deden : dat blijkt uit zi n overzic'nren van de Nederlandse taalkunde en dialectologie, met de informatieve on kritische bijdragen die hij wijdde aan vakpublikaties (Pauwels schreef een tweehonderdtal boekbesprekingen, meestal over Nederlandse taalkunde en dialectologie, over de spellingskwestie, en over algemene taalkunde), uit de vele rapporten die hij maakte voor de Vlaamse Academie, uit de bijdragen over het leven en werk van overleden collega's,

(9)
Zo durf ik gerust stellen dat men voor 95 % van de eigenaardigheden van de Vlaamse dialecten de meest betrouwbare en uitvoerige informatie kan vinden bij Pauwels. De overige 5 % betreffen dan die kenmerken die niet voorkomen in het Aarschots (en in de Brabantse dialecten).
(10)
Pauwels was trouwens een bijzonder actief lid van de Belgisch-Nederlands commissie voor de spellingshervorming. Op dit vlak moet men ook zijn medewerking aan het Winkler Prins Woordenboek situeren : Pauwels wijst hier op de karakteristieken eigen aan het Belgische Nederlands en op die welke tvpisch zijn voor het Noordnederlands.
(11)
Een aantal van Pauwels' artikels vindt men gebundeld in zijn verzamelde opstellen, Assen, 1965.

70
en uit zijn medewerking aan het Nationaal Biografisch Woordenboek. Die belangstelling voor mensen, voor feiten, voor het concrete is waarschijnlijk de meest typische karakteristiek van deze wetenschapper, die zijn liefde voor het volkse dialect vertaalde in een onovertroffen en meesterlijk arbeid over het Aarschots.
Pierre SWIGGERS
Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek Leuven