Fortuin
Dat het een belangrijk fortuin was dat toeviel aan de instellingen voor de armen te Diest, blijkt uit het volgende : nadat al de goederen geschat werden door Michel Keusters, landmeter te Piest, en door hem in twee kavels verdeeld werden, had een loting plaats zodat de eerste kavel aan het Hospies en de tweede aan het Armbureel toekwam.
De eerste kavel begreep onroerende goederen, groot 41 ha 01 a 43 ca en de tweede kavel : 49 ha 92 a 70 ca of samen 90 ha 94 a 13 ca. Hierin was niet begrepen het woonhuis met tuin gelegen te Diest, in de Wederbroekstraat.
De waarde van de twee loten was in 1871 geschat op meer dan 250.000 fr., wat omgerekend in de huidige muntwaarde bedraagt : 250.000 fr. x 12.073 / 107 = 28.207.943fr.
Ontevredenheid bij de familie
Zoals dikwijls gebeurt bij erfenissen, was de familie Cox niet ingenomen met de vrijgevigheden die aan het Hospies en het Armbureel toevielen.
| (7) | Deze formule voor de omrekening werd me bezorgd door de N.V. Kredietbank. |
64
Maar de stad en haar instellingen verweerden zich door to beweren dat het testament de familie niet benadeelde daar ze terugkreeg wat het vroegere patrimonium uitmaakte van vader en moe der Vervoort en dat hetgeen aan de armen toekwam enkel het gedeelte was verworven door hun "arbeid en hunne besparingen" en "dat deze jonge philantroop het grootste deel van zijn fortuin aan de verzachting van de onterfden wilde besteden; dat hij wist dat onze weldadigheidsinstellingen zeer beperkte inkomsten hebben; dat de armoede te Diest groot is en de need verergert; dat de gebrekkige ouderlingen van de nabijgelegen dorpen ontberingen moeten lijden" en verder "dat de herinnering aan doze weldoener der armen in de geest zal blijven leven, het voorwerp zal zijn van een publieke verering en de toekomstige generaties met hoogmoed zullen herhalen dat M. Charles Vervoort aan de weldadigheidsinstellingen van zijn stad meer dan 250 duizend frank gegeven heeft na aftrek van de partikuliere legaten en de kosten van de erfenis".
Edmond Cox, vrederechter, en Mevr. Wed. Steeners, rentenierster, hadden aan de Koning een verzoekschrift gericht waarbij gevraagd werd dat aan deze instellingen geen toestemming zou worden verleend tot aanvaarding van de legaten. De verzoekschriften waren gedagtekend 17 april, 3 mei en 7 augustus 1872.
Hun betoog steunde erop "dat redenen van billijkheid en rechtvaardigheid en zelfs het wel begrepen belang van de Hospies van Diest er zich tegen verzetten dat Uwe Majesteit machting zou verlenen omdat de enige oom van vaderzijde voornoemd ten laste van de erfenis verschillende schuldvorderingen voor een totaal bedrag van 15.000 fr. kan doen gelden; dat hij werkelijk eigenaar is van het geschonken huis (geraamd op 12.000 fr.) en dat een lange en kostelijke proceduur er zouden kunnen uit volgen voor de Hospies en dat de erfenis, na aftrek van de partikuliere legaten en de schulden niet groot genoeg zal zijn om de legaten in voordeel van de Hospies uit te voeren".
De Hospies hadden zich hiertegen verzet door aan te voeren : "Het bezwaar van M. Cox en zijn zuster, twee personen op jaren en gefortuneerd, heeft ons verrast en verwonderd vermits, hun neef overleden zijnde op 36 jaar, ze nooit konden hopen te kunnen genieten van geheel of een deel van dezes erfenis; en hetgeen verwonderlijk is, is dat de beide vertogers, erfgenamen langs moederzijde, in een brief gericht aan de Minister van Justitie verklaren dat hun verzoekschrift voornamelijk gesteund is op een bezwaar var. M. Frangois Vervoort, pastoor van O.L.V. parochie te Diest, enige erfgenaam langs vaderzijde, die niet reklameert tegen de goedkeuring gevraagd door de Hospies, voor de legaten hen toegekend door M. Vervoort".
En verder : "M. de Pastoor Vervoort beweert schuldeiser van zijn breeder te zijn, hij heeft zijn vorderingen opgesomd ter gelegenheid van het opmaken van de inventaris, maar hij heeft zich beperkt tot het vernoemen van zijn eisen; deze steunen op het burgerlijk recht en zullen op tijd en plaats in billijkheid en lc goeder trouw onderzocht worden en onderworpen worden aan de be
65
slissing van het gerecht indien men geen regeling kan treffen, maar ze moeten gans buiten de kwestie der aanvaarding van de legaten door de Hospies blijven".