Knoesel of enkel
Het knobbelvormige gewricht dat de buiging van de voet tegenover het onderbeen mogelijk maakt, wordt met de algemeen Nederlandse naam enkel genoemd in de streek van Diest, zeker te Diest, Webbekom, Loksbergen, Bekkevoort en Molenstede. Te Tielt wordt dit woord inkel uitgesproken. Te Scherpenheuvel komt enkel voor naast knoesel. Het woord enkel zou volgens het Etymologisch Woordenboek (Utrecht-Antwerpen, 1983) van J. de Vries en F. de Tollenaere komen van de stam "ank" of "ang", buigen of bocht, waarvan ook "angel" komt.
In het grootste deel van het Hageland wordt knoesel gebruikt met de betekenis "enkel". We vinden het zo voor Aarschot bij J.L. Pauwels (Het Dialect van Aarschot en omstreken. Tongeren, 1958, blz. 174), voor Leuven bij L. Goemans (Leuvens Taaleigen. Woordenboek. Tongeren, 1954) en voor Tienen bij P. Kempeneers (Roddelen onder de boompjes. Tienen, 1976).
Volgens mondelinge inlichtingen komt knoesel ook voor in Testelt, Lovenjoel, Lubbeek en Houwaart. L.W. Schuermans (Algemeen Vlaamsch Idioticon. Leuven, 1865-70) noemt knoesel vrij algemeen in Zuid-Nederland, maar enkel "te Diest en in Belgisch-Limburg" gebruikelijk. Volgens het grote Woordenboek der Nederlandsche Taal is knoesel voor enkel in gebruik in Zuid-Nederland, Noord-Brabant en Zeeland en zou dit woord verwant zijn met "knoest", harde plek in hout. Dit woord is zelf weer verwant met "knuist", vuist, en "kneuzen".