Boek InfoVoorbladInhoudHet vergeten VlasselaarVermeldingen HagelandFanfare "De Broederband"De Heren van Deurne bij DiestIets over het Bolhuis te MolenstedeLazarushuisjes DiestDe Diestenaar, een frontbladOverlijdensberichtReclameDiesterse VolksmensenVroegere kapelletjes te TieltIets over bijnamen te DiestAarschotse Kring voor HeemkundeAndere Tijden, Andere ZedenRechtzettingEen aanvulling betreffende mei '40Wijgmaal '40Het Remakshof te MolenstedeDe plaatsnaam DeurneVroegere pastorieën te WebbekomMolen RothemTentoonstelling over prehistorieDiesterse volksmensen : "Deliake"Hagelandse woorden : Knebbeke en solleke of seulekeKnebbekeSolleke en seulekeAchterblad
Oostbrabant 1981-1
Oostbrabantse Werkgemeenschap

Solleke en seuleke

Dezelfde betekenis ale knabbeke heeft solleke in het centrale en westelijke deel van Oost-Brabant en seuleke in het oostelijke
52
deel ervan; deze laatste vorm, met umlaut (d.i. verandering van klinker, omdat het een verkleinvorm is), staat in dit oostelijke deel dus naast knebbeke.
Zo vermeldt J.L. Pauwels in Het Dialect van Aarschot en omstreken (Tongeren 1958. blz. 148) "solleken, nikkelen muntstuk van 5 cent." en C.H. Peeters in Nederlandsche Taalgids. Woordenboek van Belgicismen (Antwerpen 1930) "Een solleke. Een vijf-centiem­stuk", met een voorbeeld uit Ernest Claes, "è seuleke (d.i. 'n sölleke)". In deze twee werken staat ook het woord sol, waarvan solleke of seuleke een verkleinvorm is : Pauwels (blz. 297) noemt sol alleen maar "een muntstuk" en Peeters "een oude Fransche stuiver of sou".
Het Woordenboek der Nederlandsche Taal heeft sol met de betekenis van "een muntstuk of waarde van tien centiemen" opgenomen als "gewestelijk in Zuid-Nederland", met een verwijzing naar het hierboven reeds vermelde Antwerpse dialectwoordenboek van Cornelissen en Vervliet. Sol is eigenlijk een oud Frans woord, dat in het huidige Frans sou geworden is, d.i. de naam van een koperen munt met de waarde van een twintigste deel, eerst van een pond, later van een frank, dus vijf centiem. Sol is een afleiding van het Italiaanse soldo, dat zelf weer van het Latijnse solidus komt, de naam van een gouden munt (dit woord is dan weer verwant met ons solied, solide).
Aan hetzelfde Latijnse woord solidus is, via het Italiaanse soldo en het Franse solde, ons woord soldij ontleend, dat in het Middelnederlands in de vormen solt, sout bekend was. Deze laatste vormen zijn voor Oost-Brabant nog van belang omdat het niet uitgesloten is dat het eerste lid van de naam Zoutleeuw hiervan voortkomt. Pas sinds de 17de eeuw vinden we de toevoeging Zout voor de oude en volkse naam Leeuw. Het is een hypothese van de kenner van de plaatselijke geschiedenis, J. Vanroelen, dat Zout hier op de "soldij" zou slaan die aan de soldaten in de rumoerige 16de en 17de eeuw werd uitbetaald.
Andere afleidingen van het Italiaanse woord soldo zijn soldenier. bezoldigd soldaat, en bezoldigen (via het Duitse besolden, loon geven aan. Ons woord soldaat komt dan weer van het Italiaanse soldato, een voor soldij gehuurd krijgaman, gevormd van het Latijnse soldatus, het verleden deelwoord van soldare, voor soldij huren, dat zelf ook weer een afleiding is van solidus, gouden munt.
Voor het kleine vijfcentiemstuk hadden we vroeger in onze streek twee benamingen. Nu dit muntstuk verdwenen is, zijn deze benamingen in onbruik geraakt en zal de volgende generatie ze niet meer kennen. Andere voorwerpen met nieuwe benamingen komen in de plaats.
Dit komen en verdwijnen maakt deel uit van het leven van de taal.
F. CLAES S.J.