46
Kort overzicht van de molen van Rothem
De molen van Rothem, gelegen aan "De Velpe", zijrivier van de Demer, op het grondgebied van de gemeente Halen in Limburg, behoorde eertijds tot de abdij van Rothem, ook "Mariënrode" geheten en vroeger "Satrum Beatae Mariae".
Deze abdij werd rond 1237 door de zusters Cisterciënsers gesticht op de Wolput, ook "Patersveld" genoemd en gelegen in de Rothemse bossen. Zij werd rond 1242 tegen de Velpe herbouwd, daar waar nu de grote pachthoeve van de familie Cordonnier ligt. In datzelfde jaar heeft Anselm van Zurpele tot de opbouw van het kloosterdomein bijgedragen door de schenking van zijn bezit, genoemd "Het Zurpelenhof", dat gelegen was te Budingen.
Volgens een oorkonde van 6 augustus 1420 kocht abdis Maria van Jesscheren van Wouter de Dove een stuk grond van 4 bunder, op de oever van de Velpe gelegen, waarop een molen gebouwd kon worden (nota van de schrijver : waarschijnlijk de 3 hectare die nu nog "Molenblok"genoemd worden).
In 1422 kreeg de abdij van Rothem van Geert van den Zijpe, schatbewaarder van Brabant, de vergunning om een molen te bouwen. Enkele maanden later, na een proces, kreeg de abdij de toestemming van de hertog van Brabant, Jan IV, onder de volgende voorwaarden : de abdij moest 2 mud koren geven aan de rentmeester van Tienen, bestemd voor de hertog; daarnaast moest zij ook 2 mud geven aan de heer van Lantwijk en de H.Geesttafel van Halen.
De datum van de opbouw van de eerste molen is ons onbekend. Die molen werd op een honderdtal meter van de bedding van de Oude Velpe gebouwd. Daarna groef men 400 meter stroomopwaarts van de oude Velpe een kanaal, dat zou dienen als stuwbekken, om een waterval van 2 meter te verkrijgen. Het water valt daardoor op het onderste gedeelte van het molenrad en doet dit draaien. De landkaart van J. de Ferraris, rond 1780, vertoont de twee stromen.
De molen werd niet lang door de abdij zelf uitgebaat, want reeds in 1455 werd hij voor 6 jaar aan Jan Zellaerts verhuurd tegen jaarlijks 24 mud rogge en 10 stuiver. In 1505 was de molen weer verpacht, nu echter voor 17 mud koren en 12 pond was.
Al deze inlichtingen werden overgenomen uit de verhandeling die Paul Vrijens in 1970 maakte ter verkrijging van de graad van licentiaat in de letteren en wijsbegeerte aan de Katholieke Universiteit te Leuven.
Wij hebben weinig inlichtingen over die eerste molen gedurende de volgende eeuwen.
Het onderzoek van de onderbouw van de huidige constructie en vooral van een gewelfde ruimte in de kelder, laat ontegensprekelijk blijken dat de molen voor 1646 grotendeels vernietigd werd en dat hij, wat betreft de ruwbouw, in de huidige staat werd herbouwd.
47
De in Spaanse baksteen gebouwde noordergevel draagt in zwarte bakstenen de datum 1646 en wij vinden dia datum eveneens terug op de dikke eikenhouten balk in de woonkamer met open haard.
De zuidergevel, die in andere bakstenen gebouwd is dan de rest, die uit Spaanse bakstenen bestaat, draagt op een witte Gobertinger steen de datum 1777. Hij draagt ook op iedere kant een ketel met witte Oobertinger stenen, terwijl de noordergevel een ketel in Diesterse ijzersteen draagt.
Men kan dus veronderstellen dat de zuidergevel voor 1777 in de Velpe gevallen is en dat hij daarna in de stijl van die eeuw terug gebouwd werd.
Wij bezitten een kwijtingsbrief, gevonden op een balk van de woonkamer, in 1970. Hier volgt de tekst van die kwijtingsbrief "De ondergheschreven bekenne midts desen ontfangen te hebben uyt handen van Frans Joes de Kinder inden naem van mijn heers van Neerlinter de somme van twee hondert gulden op rekeninge van die verpachtinge van die muelen die Frans Joes de Kinder in hueringe van mijne heeren van Neerlinter.
Actum den 15 april 1676 (getekend) Peeter derwijze?"
Deze kwijtingsbrief lag dus 300 jaar op die balk.
In maart 1763 werd de molen aan Anthoon de Coster verpacht voor zes jaar tegen 190 gulden; in 1773 werd hij aan de weduwe Verboven verhuurd voor 6 jaar tegen 168 gulden en vervolgens in 1776 aan Jacob Graethoven tegen 300 gulden (zie Bulletin de la Société scientifique et littéraire du Limbourg XLIII, 1928, blz. 35, en XLIII, 1929, blz. 69, artikels van J. Pacquay : Les ventes des abbayes limbourgeoises).
Enkele jaren voor de Franse Revolutie werd de molen verkocht aan de abdij van Millen bij St.-Truiden.
Na de verbeurdverklaring van de kerkelijke goederen door de Franse Republiek en na de wet van 18 Arumaire van het jaar V (9 november 1796) werd de Rothemse molen samen met 6 bunder akkergrond gekocht door de heren van Gulpen en Bonhomme voor de som van 402.000 frank (nota van de schrijver : waarschijnlijk papiergeld).
In 1803 werd de molen, samen met 17 hectare grond, door Theodore van Gulpen, notaris te Maastricht, verkocht aan Laurent Hermans, notaris te Herk-de-Stad, en aan Henri Kenens, landbouwer te Herk-de-Stad, echtgenoot van Anne-Odile Cleeren. Ieder betaalde de helft van de som van 20.000 frank, in klinkende munt.
Vanaf 1801 werd de molen verhuurd aan Cornelis Boyen. In 1822 nam zijn schoonzoon, Mathijs Severijns, echtgenoot van Barbara Boyen, de huur over. Van 1846 tot 1865 werd de werking van de molen aan J. Tielemans gegeven voor rekening van de eigenaar Auguste van den Hove, schoonzoon van notaris Laurent Hermans. In het jaar 1865 werd de molen verhuurd aan Egide Ramaekers en in 1877 aan Lambert Mertens. Van 1879 tot 1893 was Petrus Alen molenaar. Deze had een dochter, die geboren was in de molen en die later met een Schuurman van Kortenaken trouw; aIs 90-jarige zou deze in 1975 haar geboortehuis komen bezichtigen.
48
In 1893 huurde Theophile Melotte de molen, maar toen zijn tweeof driejarig kindje in de Velpe verdronk, verliet hij de molen, die in 1897 gehuurd werd door Jozef van Houdt; zijn weduwe bleef met haar 5 kinderen tot 1925 in de molen, ze werd geholpen door haar broer Louis van Horenbeek, die afkomstig was van Velpen.
Volgens rekeningen, in ons archief gevonden, had de molen in 1920 75.000 kilo graan gemalen.
Na 1925 werd de molen verhuurd aan Bernard Vlayen; deze is in 1935 gestorven en zijn weduwe Sidonie Gaecoms ging, geholpen doer haar zoon Emiel Vlayen, met het werk verder tot in 1961.
In dat jaar brak de grote as van het rad, hoewel het een dikke eik was. Sindsdien ligt de molen stil.
In 1924 bouwde de eigenaar Joseph van den Hove d'Ertsenryck een toren tegen de oude molen om er een zomerverblijf te hebben. Tenslotte besloot de huidige eigenaar Henri van den Hove, zoon van Jozef, van de molen zijn vaste verblijfplaats te maken. Hij voegde er een vleugel aan toe in de stijl van de oude molen. Dit is de korte geschiedenis van dit drie eeuwen oude gebouw.
H. van den Hove d'Ertsenryck
K. Verhelst
Dit artikel is een uitgave van de Halense Heemkring "Oppidum Halensis"