44
Het Zelkaartsgeleeg
Pas in 1674 krijgen we opnieuw iets over een woning van de pastoor te Webbekom te horen. Dan zegt pastoor Hendrik van Cutsem (1672-1683) dat hij in 1673, dus een jaar tevoren, "op het hofken tot webbecom" woonde (BKe 4500, 141v°-142). Datzelfde jaar 1673 nog nam hij echter blijkbaar zijn intrek te Diest, want hij huurde er een huis "op de peirtstraet" (ibid. 147), d.i. bij de Allerheiligenberg. Het "hofke" waar pastoor van Cutsem eerst woonde, is vermoedelijk een huis op het zogenaamde Zelkaartsgeleeg geweest . Op het westelijk gedeelte van dit Zelkaartsgeleeg stond een huis, dat in 1680 aan pastoor van Cutsem toebehoorde (HStT 6943, 25; zie ook BS 1835bis, 50v°) en in 1688 aan zijn erfgenamen (BS 6092/10, 49). Het hele perceel had vroeger toebehoord aan Jan Zelkaerts, die er in 1532 "huijs ende hoff" bezat en naar wie het genoemd werd (HStT 7039, 69). In 1600 wordt gezegd dat het "Selckaers gelege", anderhalve zil groot, "uyt der gemeijnde gekocht" te voren "vier huyskens geweest" waren (BKe 4509/2, 11); vroeger was het dus gemeentegrond geweest.
Pastoor van Cutsem heeft blijkbaar maar een jaar op het Zelkaartsgeleeg gewoond. Zijn woning daar lag op bijna een kilometer afstand van de kerk en daarom vond hij ze blijkbaar ongeschikt. In 1679 schrijft de landdeken van Diest immers dat pastoor van Cutsem in het dorp geen betamelijke woning kan vinden; de pastoor moet, evenals zijn voorgangers, in Diest wonen. Voor de laatste oorlog huurde hij een huis in parochie, maar dit werd, met veel andere, verwoest. In de nabijheid van de kerk staan slechts vijf huizen meer, zo gaat hij verder, meestal herbergen; al de andere huizen werden in de oorlogen verwoest. Er was wel, vlak bij de kerk, een geschikte plaats voor een pastorie, het zogenaamde Heilige-Geestblokske. Volgens pastoor van Cutsem was er bij mensenheugenis te Webbekom nooit een "pastoreel huis" (blijkbaar als ambtswoning) geweest. Hij wilde nu met de inkomsten van de kerk een pastorie bouwen; daartoe richtte hij een verzoek tot het bisdom, maar er kwam niets van (BKe 4497, 117) .
De tweede opvolger van pastoor van Cutsem, pastoor Dionysius Preuveneers (1694-1733), heeft hetzelfde huis op het Zelkaartsgeleeg bewoond als pastoor van Cutsem; hij woonde er samen met zijn ouders, broers en zusters . In 1750 is er sprake
| (6) | Zie H. Claes, Oude wegen en gebouwen te Webbekom-Diest, in Oost X, 1973, blz. 41-42. H. Claes, Webbekom, in Oost-Brabant. I. Het Mooie Hageland. 2e druk, Heverlee 1965, blz. 258. H. Claes, Oude wegen ..., blz. 34, merkt op dat uit de nagelaten geschriften van pastoor Lambertus Cogen (1559-1578) opgemaakt kan worden dat hij in Diest verbleef. H. Claes, Oude wegen ..., blz. 41-42.
|
| (7) | Zie H. Claes, Oude wegen en gebouwen te Webbekom-Diest, in Oost X, 1973, blz. 41-42. H. Claes, Webbekom, in Oost-Brabant. I. Het Mooie Hageland. 2e druk, Heverlee 1965, blz. 258. H. Claes, Oude wegen ..., blz. 34, merkt op dat uit de nagelaten geschriften van pastoor Lambertus Cogen (1559-1578) opgemaakt kan worden dat hij in Diest verbleef. H. Claes, Oude wegen ..., blz. 41-42.
|
| (8) | Zie H. Claes, Oude wegen en gebouwen te Webbekom-Diest, in Oost X, 1973, blz. 41-42. H. Claes, Webbekom, in Oost-Brabant. I. Het Mooie Hageland. 2e druk, Heverlee 1965, blz. 258. H. Claes, Oude wegen ..., blz. 34, merkt op dat uit de nagelaten geschriften van pastoor Lambertus Cogen (1559-1578) opgemaakt kan worden dat hij in Diest verbleef. H. Claes, Oude wegen ..., blz. 41-42.
|
45
van "de oude pastorye daer hy in gewoont heeft en gestorven is" (M lb, 2v°) en nog in 1770 wordt dit huis op het Zelkaartsgeleeg "de oude pastorije" genoemd (BKe 4502, 2v°).
| (9) | M : Archief van het aartsbisdom Mechelen-Brussel, Bundel Webbekom. H. Claes, Oude wegen ..., blz. 41. H. Claes, Oude wegen ..., blz. 37 en 39-40. H.Claes, Oude wegen ... , blz. 34.
|