30
Iets over bijnamen te Diest
Heden ten dage is het niet meer in zwang dat praktisch iedereen een bijnaam of "toegeworpen" naam heeft, zoals men hier bij ons zei. Ik haal er zo enige aan, uit de herinneringen van mijn kinderjaren. Daar hadt ge de bakker in onze straat, Pieter Mommaerts, dat was "Pie Pourre", Zijn broer had als bijnaam "De Lods"; deze naam was ontleend aan een zelfgemaakte fopspeen, bestaande uit een vierkant stuk wit lijnwaad, gevuld met gekneed brood en suiker en dan toegebonden; daar zogen of "lodsten" de kinderen op.
Dan was er nog "Lappes" van de zandboeren. Lappes z'n echte naam was Gust Huybrechts; hij van de neef van de befaamde zandboeren van Diest . Lappes was een rare snuiter. Zo van hij op zekere dag langs de herbergen getrokken al zingend. Na ieder liedje deed hij een geldinzameling, zogezegd voor de kindjes van China. Maar in plaats van bij de kindjes van China kwam het geld in de herbergladen terecht. 's Avonds zwijmelde Lappes toen stomdronken huiswaarts.
Er was ook nog de "Moustache", zo genoemd omdat hij een enorme snor had. Zijn nakomelingen werden allen aangeduid als "Roos van de Moustache" of "Fik van de Moustache". Ook heb ik nog gehoord van "Bettes den duvel". Deze was getrouwd met Mie Keukes. Bettes den duvel was een van de grootste stropers van Diest en omstreken.
Zo was er nog "Kromme Wannes". een neef van Fie Pourre. Wannes had geweldig kromme benen, vandaar zijn bijnaam. Wanneer men iets over de kromme benen van Wannes zei, dan zei hij al lachend*' "het zijn niet mijn benen die krom zijn, maar wel mijn broek die krom gemaakt is". Wannes vond zijne gelijke niet wanneer het erom ging uit stropen te gaan met het werpnet.
Er was ook nog een oude man in het gesticht, een reus van een vent; dat was "Mottige Flip", zijn ware naam heb ik nooit gekend ? Vanwaar die naam kwam weet ik niet, in elk geval, aan zijn uiterlijk te zien had hij hem niet gestolen. In de Begijnenstraat woonde een meubelmaker die men "Jommeke broek valt af" noemde; dat ventje had de nerveuze gewoonte om ontelbare keren aan zijn broek te heffen. In de Schotlandetraat woonde een veehandelaar; dat van "Louis zonder hemd" . En "War vis", die de stad rondleurde met een stootkar vol vis. Mijn grootmoeder en grootvader kende ik in mijn kinderjaren niet anders dan als "Moe forten" en "Va forten"; vroeger bewoonden ze een huisje op de forten achter de huidige Stationsstraat.
| (1) | Zie F, Loix, Diesterse volkswensen : de Zandboeren, In Oost-Brabant XV, 1978, blz. 45-48. F. Loix, Diesterse volksmensen : Stetteke de Beir en Lowie zonder hemd, in Oost-Brabant XVII, 1980, blz. 208-211.
|
| (2) | Zie F, Loix, Diesterse volkswensen : de Zandboeren, In Oost-Brabant XV, 1978, blz. 45-48. F. Loix, Diesterse volksmensen : Stetteke de Beir en Lowie zonder hemd, in Oost-Brabant XVII, 1980, blz. 208-211.
|
31
Er waren nog zoveel andere bijnamen, Ik laat er hier nog enkele volgen : "Pie omnibus" ; "De Piot"; "De Sik van de Pakker"; "Heintje van Marie kan niet zien"; "Den hond van den deken"; "Jef patat", "De brobbel Elen"; "De krol Peuters"; "Den Doeper"; "Frans van Mie tien cent"; "Appelen Giel"; "Mie Keukes", vrouw van Bettes den duvel; "De Piepel" (= de vlinder); "Rikes de Bates"; "De kwakkel"; "Netteke de stoop" ; "Netteke de doos"; "Jefke en Sooi van den duim"; "Swa van de pas"; "Nele Pruis"; "De veus" (= de kikker); "De waterduvel"; "Sooi Leur"; "De schijter"; "De boterheks"; "Jefke krab"; "Het koolputterke" (de mijnwerker; dit was de vroegere pastoor van het begijnhof); "De kromme van zwarte Gust"; "De snol"; "George platvoet" (een vroegere politieagent); "De biet"; "Het kapperke"; "Juinke de speelman"; "De kop van Marjan de beer" enz, enz. enz.
F. CYPERS
| (3) | F. Loix, Diesterse volksmensen : Pier Hommelebus, in Oost-Brabant XVI, 1979, blz. 102-103. F. Loix, Diesterse volksmensen : Fileciën en Netteke de stoop, in Oost-Brabant XV, 1978, blz. 1-4. |
| (4) | F. Loix, Diesterse volksmensen : Pier Hommelebus, in Oost-Brabant XVI, 1979, blz. 102-103. F. Loix, Diesterse volksmensen : Fileciën en Netteke de stoop, in Oost-Brabant XV, 1978, blz. 1-4. |