99
BLITZKRIEG IN KERSBEEK EN OMGEVING
we schrijven vrijdag 10 mei 1940.
Bij het ochtendgloren van deze historische dag, wordt onze nachtrust bruusk verstoord door het geronk van formaties hoog overtrekkende vliegtuigen, het inslaan in de verte van bommen, de doffe explosies van obussen van het afweergeschut. Deuren, ramen ... muren trillen. Verdwaasd komen de mensen voor hun deur en straat en kijken naar de luchtarmada, Een gebuur meent dat het om 'maneuvers' van het Belgisch Leger gaat - ieder geeft zijn mening - maar dra wordt het duidelijk : het is een Duitse inval. radio bevestigt ... het is oorlog. Het is oorlog ...
Verbijstering en vrees brengen ons van streek, De ouderen herinneren zich de Duitse furie van 1914, met zijn nasleep van lijden en ellende, de jongeren zijn beangstigd om de bedreiging van het onbekende. Mijn ouders hadden in 1914 van dichtbij het oorlogsgeweld meegemaakt : de veldslagen te Halen en St.-MargrieteHoutem, de gijzelingen, plunderingen, brandstichtingen en barbaarse moordpartijen in haast ieder van onze dorpen, niet als brutale exponenten Aarschot en Leuven. Moeder had een vluchtend gebuur neer zien schieten. Vader werd weggevoerd naar Duitsland en aldaar, te Wiesbaden en Heilbronn, de kampontberingen aan den lijve ondervonden; dank zij zijn ijzeren gestel kon hij nog terugkeren. Zijn twee broers dienden als soldaat het land aan de IJzer; niet achter de linies, maar zoals zij zeiden, met vier jaar werkelijk 'front'. Als knaap had ik zo menige winteravond aan de haard naar al die opwindende verhalen geluisterd. Zal dit drama zich nu herhalen? De situatie beroert de bevolking, men is bezorgd, men denkt aan dat gruwelijk verleden en aan wat komen zal. Deze sombere bedenkingen drukken op mijn ouders; wat zal er geworden van hun talrijk gezin, wat staat hun beide zonen te wachten die nu tot de leeftijd gekomen zijn, rijp genoeg voor kanonnevlees?
Het wordt een stralende lentedag; de vogeltjes kwelen, de bijen gonzen, deugdoend blakert de zon. Maar het is oorlog, het werk ligt stil. Moeder laat na, de dagelijkse schoolknapzak klaar te maken; de lessen volgen aan de Kat. Normaalschool te Tienen zit er voor ons niet in. Over de radio spreekt de koning een boodschap tot het volk, er wordt verder kommentaar gegeven op de gemene inval en onze neutraliteit, er worden raadgevingen verstrekt, Belgische successen gemeld. Men signaleert konstant de vluchtroute die de aanvallende formaties volgen. Talrijke vijandelijke vliegtuigen vliegen af en aan, schijnbaar zonder tegenweer; zij zijn meester van het luchtruim, het lijkt een stunt, een bravourstuk. Wij vragen ons af waar onze machines zijn. Wij weten alsdan niet dat ze reeds voor 't overgrote deel tot schroot werden gebombardeerd. De eerste aanvalsgolven immers werden bij verrassingseffekt en met Teutoonse precisie op de vliegvelden Schaffen en Goetsenhoven uitgevoerd. Hier sneuvelt het eerste uur soldaat Celestijn Degeest van Glabbeek. Wij volgen de gigantische vernielingsmacht die zonder ophouden voorbij-
100
trekt op weg naar haar doelen. Rond de gesloten formaties bommen werpers cirkelen jachtvliegtuigen. De ontploffende obussen van het afweergeschut toveren honderden kruitdampwolkjes in de lucht en wij kijken toe of er roos wordt getroffen, helaas niet. Als op kommando wentelen plots enkele Stuka's en duiken als razende roofvogels op jacht naar hun prooi. Naarmate ze sneller dalen, verhevigt het sirenengeloei van de motoren en 't lijkt erop of of ze onszelf tot doelwit kiezen. Zonder omzien zoeken wij beschutting in de kelder en niet zo heel ver ratelden de boordkanonnen ... De ouderen durven niet meer terug, ze dwingen ons om ook daar te blijven, maar dat is geen leven en als de grootst schrik er af is, gaan we weer van het spektakel 'genieten'. Kijk .., richting Zuurbemde nadert een zeer laag vliegende zware Duitse bommenwerper. Met sputterende motoren, waarschijnlijk geraakt of met pech, zoekt hij zijn eigen linies te bereiken, Wij verwensen deze vervaarlijke machine, Voor 't eerst zien we duidelijk de balkenkruisen op romp en vleugels, het hakenkruis op het staartvlak. Wij zien de hoofdbewegingen van de piloot in zijn glazen koepel. Wij voelen ons beklemd bij liet zicht van die verachtelijke vogel en blijven luisteren of hij verderop niet neerstort, de wens tot vader van de gedachte nemend.
Rond de middag komen Belgische soldaten toe. Ze spannen bedrijvig telefoondraden en volgen de huizen en palen langs de weg, van dorp tot dorp en ... naar het kasteel De Turck waar, naar wordt gezegd, de Generale Staf zit. Bij buren nemen twee bescheiden heertjes hun intrek, ze doen zich nogal zwijgzaam voor en pas later vernemen we dat het Belgische agenten van de Inlichtingsdienst zijn. In de namiddag arriveren, als "koolputters" zwart onder 't stof, uitgeput en angstig,enkele gemotoriseerde soldaten. Ze beweren van het front te komen, uit Veldwezelt en Vroenhoven. Ze verhalen bewogen wat ze hebben meegemaakt : hun vuurdoop, kameraden zijn gesneuveld .,, één toont zijn motor die sporen draagt van kogelinslag. Gespannen luisteren wij. Na een kort oponthoud vertrekken ze verder, wie weet waarheen? Van het N.I.R. (radio) hoopt men meer te weten te komen, maar het echte aktuele nieuws is schaars. Het zijn meer raadgevingen die immer, immer worden herhaald en op de zenuwen werken. Men wil weten wat er omgaat.
Bij valavond troepen de mensen nog meer samen en bespreken, ieder volgens eigen inzicht, de gebeurtenissen. Dorpsfilosofie en onzin wordt verteld : de Duitsers zullen niet veel smoesjes moeten uithalen en morgen kan de afrekening komen, volgens anderen zal de afstraffing gebeuren aan het Alberkanaal. Men heeft volle vertrouwen in de zogeheten IJzeren muur (de KW-stelling Koningshooikt-Waver), drie meter hoog en breed, die onder stroom zal worden gezet; een metalen konstruktie die geen enkele tank voorbij laat. De invaller wordt bedacht met allerlei scheldnamen ; den Duits, de Pruisen, de Fritsen. Niemand denkt aan slapen gaan, wanneer sommigen tenslotte naar huis gaan, is het om er de paternoster boven te halen. De blijvers beluisteren tussendoor in de tamelijk kalme nacht, de weemoedige zang van de nachtegaal. Opnieuw een allerheerlijkste lentemorgen als de tweede oorlogsdag aanbreekt. Geen wolkje aan de diepblauwe hemel, de temperatuur is zijdezacht en dit weldoende weertje zal zo enkele weken
101
aanhouden, Spoedig worden wij in de brutale werkelijkheid geduwd : de Luftwaffe dreunt weer hoog boven ons. Luchtdoelgeschut staat opgesteld in de velden voor het kasteel De Turck. Te blak, want een jager heeft het gauw in de gaten en als deze even 'goedendag' komt zeggen, stuiven de schutters uiteen. De eerste Limburgse vluchtelingen trekken voorbij en in de loop van de dag groeit hun aantal; het wordt op de duur een aaneengesloten sliert misseriemensen. Met fietsen, stootkarren. kinderwagentjes, honderden, kruiwagens en hoogwielige karren, alles met pak en zak beladen, trekt de karavaan verder, Daartussen laveren enkele auto's waaraan zich fietsers vastklampen. Daar lopen sukkelaars langs kerkepaden en afgelegen wegeltjes die ik alleen door wijzelf gekend waande, van in de tijd dat vogelnestjes zoeken m'n liefste hobby was, Het is een angstpsychose, de schrik van 1914, die deze mensen drijft. Ze hebben niets te vertellen, ze zijn te vermoeid en toch moeten ze verder. Eigenaardige toestanden doen zich voor. Er zijn er toch die plots de brui eraan geven en terugkeren; niet zonder krakeel met de groepsgenoten die mordicus verder willen. Bij een familie is een kind zoek; de mensen zijn radeloos en niemand kan helpen. In deze momenten is er weinig aandacht voor de vele zielige taferelen; de ontmoedigden en de gewonden (voetwonden) blijven zonder hulp. Er liggen vermoeiden in de gracht, ze wachten overschillig de gebeurtenissen af. Het ligt in de bedoeling van allen om Frankrijk te bereiken, maar velen zullen stranden in de Vlaanders, om daar in 't echte vuur terecht te komen. Waar zal deze mensenmassa ondertussen een onderkomen vinden? Allerlei jobstijdingen en kwakkels doen de ronde. De Wehrmacht zou dum-dum-kogels gebruiken. Duitse parachutisten zouden zowat overal zijn neergekomen, in de bossen te Kattebeek zou één zijn gevat en bij F. Wouters worden vastgehouden. Men spreekt van een 'vijfde kolonne', dit zijn zogezegde 'toeristen' en vóór de oorlog gevluchte 'anti-nazi's' die samen met de valschermspringers sabotagedaden plegen. Hun instrukties zouden ze vinden op de achterzijde van de reklameborden 'Pachachicororei'. De radio roept deze berichten om, voorafgegaan en gevolgd door enkele tonen van het Vaderlands lied. De bevolking wordt gewaarschuwd de verdachten aan te geven, Men voelt een er van angst voor spionnen; ze steekt de mensen nog meer in vertwijfeling en onrust.
De volgende dag is het hoogfeest van Sinksen, zondag twaalf mei. Het tampt al voor de hoogmis als er almeteen een 'attralctie' beleven valt. Twee Engelse jagers vallen een Duitse bommenwerper aan. Om zich aan zijn belagers te onttrekken, vliegt de achtervolgde eenzaat zo laag mogelijk en lost zijn bommenlast, die ontploft in de boomgaard van Fl. Costermans, een paar honderd meter voorbij de kerk en het kasteel te Kersbeek. De Engelsen, in scheervlucht gierend, geven lange vuurstoten, ook de tegenpartij heeft hen in het vizier en geeft er van langs. De rammethode is nog niet uitgevonden, zodat deze miniluchtslag al na paar minuten elders wordt beslecht. Wij kennen het resultaat niet, maar het doet wel goed eindelijk eens een tegenzet van onze kant vast te mogen stellen,
De kerkdienst verloopt normaal, al is er minder volk. De eigenboerenbevolking gaat toch : na de hoogmis immers komt het gezelligste uur van de week, dat zij, oorlog of niet, niet kunnen
102
missen. Dan worden het plaatselijk nieuws en de kopbrekerijen van de stiel aan het aanplakbord uitgewisseld en daarna trekken allen nog ter versteviging van de vriendschap, naar het stamcafé tot op de middag. Op straat is er een bedrijvigheid als in een verstoord mierennest, een gewemel van burgers en militairen. Soldaten, die van Herent komen leggen loopgraven aan in de Bornestraat. Wat heeft dat te betekenen? Dit werk is nog niet gans klaar, of er komt bevel terug richting Leuven te vertrekken. Te Kersbeek, regenoten het kasteel Eyben en de Beekstraat, staat een kurieuze Engelse legerauto. Wij zoeken kontakt met de soldaten en deze zijn er blij om. Het zijn 'specialisten-in-de kommunikatie' en ze tonen ons de duiven die in de wagen hokken. Demonstratief bedienen ze zich van hun rifle en vuren op iedere, 't zij hoog of laag vliegende Duitse machine. Wanneer er een zwenkt en een rondje om ons draait, is de pret er wel af.
Ongeveer die tijd komt bij ons thuis tot grote verwondering, een nonkel uit Brussel aan, zijn kamion met takken gekamoufleerd. Hij heeft acht uur over de afstand gezet en hij vertelt wenend wat hij onderweg heeft meegemaakt. Te Tienen zat hij vast bij de luchtaanval op de Leuvensesteenweg, midden straten vol puin zag hij er de doden en gewonden. Nu, hij komt ons allen ophalen voor de gezamenlijke vlucht naar Frankrijk. Vader moet dadelijk beslis sen en gaat akkoord; hij draagt de kerksleutels naar pastoor Vandersijpen, die toch blijft, en spreekt af met de buren voor de verzorging van de huisdieren. Maar ondergetekende is afwezig op het appèl en in extremis wordt er van de vlucht afgezien. Bij mijn thuiskomst krijg ik de berispingen en de schuld voor de gemiste kans. Achteraf gezien nog een goede zaak, want oom en andere familie zijn pas in juli teruggekeerd, na veel wederwaardigheden. Reeds vroeg raakt de groep onderling gescheiden, gelukkig was er een afspraak voor deze eventualiteit, zodat ze uiteindelijk weer verenigd werden bij een tante te Clairac (ZuidFrankrijk).''
Thuis en bij buren overnachten vluchtelingen. Een bijzonder feit moet ik aanhalen, bij ons voorgevallen. Gedurende de nacht horen wij in een belendend vertrek een vrouw alsmaar stenen. Alras staat het hele huis overhoop, want het gaat om de komst van de ooievaar; haast een kerstgebeuren. Wij worden de boer op gestuurd en de aangelegenheid krijgt zijn beloop. Is er nu een geboorte of geldt het een miskraam, ik weet het niet, Wie het was of wat er nadien van gekomen is, is mij evenmin bekend. In latere tijden heeft noch de familie, noch de boreling in kwestie van zich laten horen. Maar in de herinnering is het gebeuren mij bijgebleven als verbonden aan een helse nacht. Ik dwaal doelloos rond en batterijen verdragende artillerie, die rond Tienen staan opgesteld, sturen aanhoudend onder dreunende losbrandingen, schril fluitend en in vurige lijnen hun projektielen naar hun doel. Als dit bij ons een stress-effekt verwekt kan men zich voorstellen hoe, onder druk van al deze morele beproevingen, deze moeder onverwacht moet bevallen.
De gebeurtenissen aan het front blijven de dertiende gekenmerkt door een onduidelijk en wisselend verloop. Op landkaarten proberen we de posities met vlaggetjes te volgen. Waar zit de vijand nu precies? Volgens vluchtenden is hij reeds zeer dichtbij
103
en zeker over het Albertkanaal. Infiltraties worden gemeld rond Halen en Herk-de-Stad; te Lummen zou worden gevochten. Er wordt verteld dat de Duitse soldaten zich wat fatsoenlijker gedragen dan in 1914. Wat is de waarheid? Wij horen meer en meer het kanongebulder. De ruiten worden met repeltjes papier overplakt om het glas betere weerstand tegen de luchtverplaatsing te bieden. Instinktmatig voelt men de vijand naderen. Onze troepen zijn in aftocht; immer westwaarts trekkende soldaten. Vermoeide kavaleristen dommelen in op hun paarden, zonder aandacht voor koortsige drukte. Opgevorderde auto's van alle soort en slag, gehalveerde regimenten piotten waartussen zich ordeloos en gejaagd de vluchtende burgers vermengen trekken dag en nacht voorbij. De hoogpalige wegwijzers worden vernield en ieder herkenningsteken verwijderd. De militaire toestand verslechtert zienderogen. Voor hun erf delen de boerenmensen melk uit; volle emmers worden aangedragen en de 'afnemers' verdringen zich. De strakke onwezenlijke gezichten zwijgen. Als zal er een wonder gebeuren, bewaart men een vermetel vertrouwen in de goede afloop.
Op aandringen van een vriend bevredigen wij een nieuwsgierigheid riskeren nog een 'uitstap' naar Bergen Geetbets, waar een Frans vliegtuig een noodlanding heeft gemaakt. Terug in het dorp, verspreidt zich het gerucht dat bij Alf. Tuteleers 't eenen-ander te "ratten" valt. Aftrekkende Belgische soldaten hebben er inderdaad karnionladingen allerhande goederen achtergelaten. Het naderen van de Duitsers is de man zich 1914 indachtig en vree5s de kogel in geval van ontdekking; hij wil alles bij hem buiten. Tot haast één meter hoog ligt het allegaartje op de 'nere' gestapeld. Wie tegenwoordig is, scharrelt naar hartelust en zoekt zijn gading, zonder zich vragen te stellen omtrent herkomst of eigenaar. De 'slimmen' nemen koffie en nuttige gebruiksvoorwerpen, ikzelf ben zonder enig transportmiddel en wat ik dragen kan : 'n stick scheerzeep, (dat in de oorlogsjaren goed te pas zal komen), 'n paar schoenen, (idem) stafkaarten en een Callewaerts Groot NF/FN Woordenboek. Dit boek heb nog steeds in mijn bezit. Op de snede draagt het de naam AERTS Jos., vermoedelijk een soldaat. Zo hij zich kenbaar kan maken, mag deze persoon bij deze weten, dat zijn eigendom nog steeds tot zijn beschikking ligt.
In de nacht van 13 op 14 worden, met ontzettend geraas, alle bruggen over de Velp opgeblazen. 's Morgens zijn de straten omzeggens verlaten; sporadisch passeert nog een soldaat. Dreigend met hun wapen, verplichten twee van deze achterblijvers fietsen af te staan en elders doet zich een geval van plundering voor. Hoe dan ook, de vijandelijke aktie lijkt nu nabij. Bevreesd en vol spanning trekt men zich in de woning terug of, het hoofd op hol, neemt de vlucht. Pastoor De Rie van Kersbeek oordeelt het wijs zijn schapen te verlaten. Samen met het gezin Ferd. Lambrechts en Roni Janssens menen wij het geraadzaam om ons op de afgelegen hoeve van Pros Mues - alsdan bewoond door de familie Jef Vanderstulcken - terug te trekken. Jef is soldaat en zijn Maria doorstaat om deze reden dubbele angsten. Op weg daarheen, midden in het vlakke veld, komt almeteen een zwaar Duits transportvliegtuig in onze richting aangevlogen. Het daalt vrijwel tot schouderhoogte, wij denken aan een noodlanding en
104
werpen ons in een refleks neder in de karresporen. Met brullende motoren scheert het over ons heen en wij voelen de veroorzaakte luchtverplaatsing als een wervelwind op ons neerkomen. Wij allen zijn lijkbleek, de kinderen huilen in panische angst. Rakelings boven de grond vervolgt de machine haar vlucht en wij zien ze voor een verder gelegen boomgaard weer hoogte nemen.
Op de hoeve verblijven nog andere families uit de omgeving, merkwaardig is het huishouden uit Neerlinter dat, tegen de algemene westwaartse rush, noordelijk vlucht, maar zij vrezen gevechten. aan de Getelinie en wensen toch niet al te ver van huis te zijn. Maria is blij ons te zien, ze zwelgt een krop door de keel. Armenzwaaiend en hoogrood van alteratie maakt ze haar jeremiades over de militaire ontwikkelingen en waar hare Jef nu mag zitten. Haar argeloze spruitjes kruipen ons rond en tussen de benen; ze lopen met een sedert vier dagen nog ongewassen snoet. Wij verbeiden de tijd.
Via de radio vernemen we dat 'de Belgen van 16 tot 35 jaar, terstond en met eigen middelen een rekruteringscentrum van het Belgisch Leger moeten vervoegen'. Ieper wordt genoemd. Mijn broer en ik vallen in die leeftijd en om verder nieuws hieromtrent onderneem ik een niet ongevaarlijke verplaatsing naar het dorp. In de nabijheid van 't ouderlijk huis zie ik gans verrast een moto met zijspan naderen ... Duitsers. Als verstijfd blijf ik staan. Ze stoppen naast mij, bespieden de gebouwen en de straat. De motobestuurder schuift zijn stofbril omhoog en zegt : 'schule' en wijst naar 't schoolgebouw. De begeleider is bijzonder op zijn hoede, met zijn wapen in aanslag betrouw ik die norskijkende kerel niet, mij dunkt dat hij er voor 't minste korte metten mee zou maken. Nog even monsteren ze mij en de omgeving, brabbelen wat en keren terug. Blij dat de onverhoopte ontmoeting zo is mogen aflopen, spoed ik me naar de herberg Beeten waar nog volk aanwezig is. Nog knikken van de anti-climax mij de benen als er een open legervoertuig nadert en bij ons stopt. Het is een soort grote jeep bemand met zes Duitse militairen. Rumoerig als schoolknapen komen ze een pint drinken. Ze zijn blijkbaar in hoge staat van euforie, zelfzeker en ondernemen hun oorlogje als een toeristische happening. Ze steken in keurige grauwgroene uniformen en zo te zien weten ze wat af van 'Public Relations'; ze bieden ons een sigaret aan, trakteren de aanwezigen en betalen het verbruik met Marken. Pas zijn ze vertrokken of grote egale legerwagens rollen voorbij. In ieder van deze zitten ruim twintig soldaten, met de rug naar elkaar, het wapen tussen de benen. Boven op de stuurkabine staat een snelvuurgeweer, de schutters klaar voor aktie. Maar zonder slag of stoot kunnen ze hun weg vervolgen. Pantsers zie ik niet, ik gis dat ze de grote baan volgen, waar ook de volgende dagen paardevolk voorbijtrekt. Voor ons zit het erop; het intense kanonvuur van de laatste dagen is haast uitgestorven en de bevolking voelt zich na de doorstane emoties verlicht. De bezetting is nu een feit, de zorgen zijn voor later.
Te Glabbeek-Wever wordt het noodvliegveld spoedig door de bezetter in gebruik genomen.Het is niet te verklaren waarom het vooraf niet werd gebombardeerd; er stonden op 10 mei wel degelijk een dozijn Belgische vliegtuigen die, op één beschadigd toestel na, tijdig naar elders werden overgebracht. Dit bevestigt mij
105
Irene Guelinckx die ter plaatse woont. Zij heeft de vorige dagen met zekerheid een Duits parachutist opgemerkt. Felix Vandeput, die eveneens bij liet vliegveld woont - intussen verhuisd - verhaalt mij hoe bij hem thuis dadelijk Duitsers komen inkwartieren. De officieren verlangen een bed, de soldaten verblijven in de schuur. Ze staan in voor het onderhoud van het plein en dagelijks ziet hij ze in rijen opstappen met 'spaden die blinken als zilver'. Tijdens de avonden zingen ze er lustig op los tot de overste het welletjes oordeelt en na een kort geschreeuw is alles muisstil. De vliegtuigen staan vlak bij zijn boomgaard opgesteld; geen zeepkistjes, maar reuze driemotorige toestellen, de fameuze "Oude Tantes", waarvan voorlopig geen rivaal bij de geallieerden bestaat. Na een paar weken is dit vliegveld voor de bezetter niet meer van vitaal belang en wordt het opgegeven. Ook de Duitse Legerstaf op het kasteel De TURCK hoepelt op; de vijandelijkheden verplaatsen zich immers in tempo richting Vlaanderen. Het is niet voor niets de 'Blitzkrieg".
Het vervolg van de veldtocht verloopt buiten onze streek en blijft in deze bijdrage buiten beschouwing. De scholen hernemen en vroeg of laat keren de gevluchte burgers en onze soldaten. Gelukkig zijn er in onze gemeente geen gesneuvelden. Wel hebben wij het verlies te betreuren, ja werkelijk te betreuren, van onze allerbeste gewezen onderwijzer, door vriendschapsbanden ons zo na, nl. Luitenant Jules BECKERS uit Tienen, die de 27e mei te Passendale sneuvelt. Zijn zerk vindt men op het ereperk vlakbij de ingang van het kerkhof te Tienen.
Bij afsluiten van deze bijdrage willen wij nog zeggen dat getracht werd een bondig maar zo waarheidsgetrouw mogelijk beeld op te hangen van wat zich hier veertig jaar geleden heeft afgespeeld. Mocht zich een onnauwkeurigheid voordoen, dan is ze ongewild en toe te schrijven aan het vervagen der herinnering.
André NAGELS
Averbode