94
MEI 1940 IN WEBBEKOM EN ASSENT
In mijn geboortedorp Webbekom hebben we de voorbereidingen voor de Tweede Wereldoorlog van tamelijk dichtbij meegemaakt. Niet alleen waren er geregeld soldaten in het dorp gelegerd en kwamen er dagelijks militaire vliegtuigen van het nabij gelegen Schaffen overvliegen, maar ook stond sinds het najaar van 1939 heel de Demervallei van het Schulens tot het Webbekoms Broek onder water. Om strategische redenen werden de sluizen van de Demer te Diest dichtgehouden, zoals die van de IJzer te Nieuwpoort in 1914 : met een "waterlinie", die als militaire versterking het verlengde vormde van de Getelinie (bekend uit 1914), wilde men de doortocht van de Duitse troepen verhinderen of althans vertragen.
De waterlinie kwam tot vlak bij mijn ouderlijk huis. Meestal bleef het water er een vijftigtal meter van af, maar in de winter 1939-40 is het water zo gestegen dat ons huis van de straat afgesneden was en we alleen nog door de tuin van de zusters naast ons weg konden. Onze overburen en ook de bewoners van het stationsgebouw (nu afgebroken) en van het spoorhuis (het "ruuthuiske", dat er nu, verbouwd, nog staat), die volledig geisoleerd waren, zijn toen tijdelijk moeten verhuizen. Over de hoger gelegen spoorbaan Diest-Tienen kon de trein echter dwars door het overgestroomde gebied blijven rijden.
Zelf was ik in mei '40 bijna twaalf jaar. De eerste oorlogsdagen hebben op mij zo'n indruk gemaakt, dat alle gebeurtenissen ervan me nog heel levendig voor de geest staan. Toch heb ik mijn herinneringen ook door mijn ouders laten controleren.
De tiende mei 's morgens was ik, zoals ik toen gewoon was, heel vroeg, zeker voor vijf uur, opgestaan; heel juist ken ik het uur niet, want ik had geen horloge. Die morgen had ik mijn broer, die een jaar ouder is dan ik, ook wakker gemaakt; hij wilde die dag vroeg opstaan omdat hij straf moest schrijven en dat deden we liefst 's morgens, want anders zag vader het ... We waren ons aan het wassen, toen er ineens een paar vliegtuigen heel laag kwamen overvliegen. Dit vonden we eerst nog niet vreemd, omdat er nogal dikwijls vliegtuigen van Schaffen laag overkwamen, maar toen we ernaar keken, zagen we dat deze vliegtuigen vreemde kentekens hadden : het waren er geen Belgische!
Een ogenblik later vielen de bommen al! iti'e begrepen onmiddellijk dat Schaffen gebombardeerd werd. Het vliegveld lag in rechte lijn maar twee kilometer van ons af. Door ons raam, aan de achterkant van het huis, konden we het niet zien, maar wel zagen we na enige ogenblikken al heel wat mensen van het dorp naar een weide achter ons huis gelopen komen om te zien wat er gebeurde; velen van hen waren maar half aangekleed of nog in nachtkleding.
Wij kleedden ons vlug aan en liepen naar beneden. Aan straf schrijven dacht mijn broer niet meer. Eigenlijk vond ik het wel een sensatie "dat er iets gebeurde"! Onze pa luisterde naar de radio; toen wisten we met zekerheid dat Duitsland België was binnengevallen en dat er ook in ons land oorlog was. Lang kon hij
95
echter niet luisteren, want de radio viel uit.
Een beetje later kwam Octavie van Jan Renders, die tegenover ons woonde, ons zeggen dat we uit het dorp moesten vluchten. De pastoor was tegen de mensen in onze buurt komen zeggen dat het er veel te gevaarlijk was tussen de Hasseltsesteenweg, de grote weg van Aken naar Brussel, waarlangs de Duitsers zouden komen, en de waterlinie, die door onze soldaten verdedigd zou worden.
We verloren niet veel tijd. Gauw pakten we wat kleren en eten bijeen en vertrokken met het hele gezin; het zal toen nog geen acht uur geweest zijn. We waren thuis met acht kinderen, mijn oudste broer was dertien jaar en mijn jongste zusje was er juist drie (later zijn er nog twee kinderen bijgekomen). Een van mijn Zusjes, toen zes jaar oud, was ziek met 39 graden koorts; we namen haar in de kinderwagen mee. We wilden naar de Els, een wat achteraf gelegen boerderij tussen het gehucht Aardeweg, de Kloosterberg en het Gasthuisbos. Toen we nog maar juist voorbij de Oude Pastorie waren, iets meer dan halfweg het gemeentehuis van Webbekom, kwamen de zusters, onze buren, ons uit de andere richting tegen, Ze zeiden dat er ginder al veel mensen naartoe gevlucht waren; ze gingen terug naar huis om nog wat meer zaken te halen en dan verder te vluchten, Wij gingen met hen mee terug. Onderweg zagen we op de steenweg onderwijzer Mertens van het college, die met de fiets naar Diest reed. Die meende blijkbaar dat er les gegeven zou worden. Zelf dacht ik toen : is het wel echt waar dat er vandaag geen school is?
We kwamen weer thuis. Die dag gingen de sirenes in Diest herhaaldelijk voor luchtalarm en in de omgeving, op enkele kilometers afstand, hoorden we verscheidene keren bommen vallen, Bij elk alarm gingen we schuilen in de loopgraaf die we maanden van tevoren in de kippenloop hadden aangelegd. Dokter Kemps kwam van Diest nog naar mijn zieke zusje.kijken, Tante Marie kwam met de fiets van Bekkevoort om te zeggen dat we met ons hele gezin naar haar moesten komen; daar was het veiliger dan in Webbekom. 's Anderendaags zou haar man, nonkel Marcel Vanderstukken (afkomstig assent, overleden te Butsel in 1957) ons met de kar komen halen; dan konden we al het nodige meenemen, Tante Marie wilde ons die dag allemaal nog eens zien. Een tijdje tevoren had ze al een cadeau gekocht voor mijn zus, haar petekind, die het volgende jaar haar plechtige communie zou doen. Achteraf zei men dat ze blijkbaar een voorgevoel gehad had...
De rest van de dag was moeder druk bezig met alles in te pakken wat we voor de vlucht nodig zouden hebben. De nacht van 10 op mei sliepen we beneden in de voorste kamer op paljassen of matrassen op de grond, 's Morgens waren we vroeg op. Rond half zeven kwam de pastoor ons zeggen dat we toch zeker weg moesten : het was veel te gevaarlijk in het dorp, vooral met al die kinderen. Hij zei dat we de enigen waren die nog in dorpskom overnacht hadden. Veel mensen kwamen 's morgens wel terug om hun beesten eten te geven,.
In de morgen was nonkel Marcel er met paard en kar om ons naar Bekkevoort te brengen. We namen zoveel mee als het ging, Mijn broer en ik moesten twee kostuums over elkaar aantrekken : een korte broek met erover een "golfbroek" (pofbroek) van onze plechtige communie. Onze pa reed voorop met de fiets. De kleinsten
96
zaten op de kar, wij, groteren, gingen ernaast. Ik herinner me nog dat nonkel Marcel zei dat ik niet te dicht bij de as van het wiel mocht komen, want dan kon dit me raken.
Over de gehuchten Aardeweg en Papenbroek gingen we naar Assent. Onderweg zagen we Duitse vliegtuigen op een of twee kilometer afstand de Leuvensesteenweg bombarderen.
We waren in Assent, in de Dorpsstraat, gekomen, nog een paar honderd meter van de kerk, toen onze pa onverwacht met de fiets van Bekkevoort terug bij ons kwam. Hi j zei : "Ze hebben Bekkevoort gebombardeerd". Veel meer kon hij echter niet zeggen, want bijna onmiddellijk daarna kwamen er vliegtuigen over ons gevlogen en die begonnen Assent te bombarderen. We namen de kleinste zus vlug van de kar en liepen hals over kop het eerste het beste huis binnen en kropen daar in een kelder. De bewoners van het huis zelf waren naar buiten naar een loopgraaf gelopen, om daar te schuilen. Een bom sloeg in op een tiental meter van het huis; alle ruiten vlogen uit. We hadden maar houten balken boven ons, geen stevig bescherming. Onze pa zei echter : "Als het hier zou instorten dan zouden we er misschien nog wel levend uit kunnen komen". Het liep goed af, Niets stortte er in.
Nonkel Marcel was intussen met paard en kar buiten gebleven, onder bomen in een dreef dicht bij het huis. Gelukkig bleef ook hij ongedeerd. Toen het bombardement afgelopen was, zei onze pa echter dat tante Marie in Bekkevoort doodgebleven was. Toen ze daar begonnen te bombarderen, waren ze in huis. Hij was zelf met een van zijn broers binnen gebleven, maar zijn zus, tante Marie, was naar buiten gelopen, naar de loopgraaf achter op het "geleeg" (het
|  | |
|
Doodsprentje Maria Sidonia Claes
| |
97
erf) bij de buren. Onderweg, in de boomgaard, werd ze door een bomscherf getroffen; ze was vrijwel op slag dood. De pastoor, die in Robbesrode al bij een ander slachtoffer geroepen was, was bijna onmiddellijk ter plaatse.
In die omstandigheden konden we niet verder naar Bekkevoort gaan. We spraken eerst met de bewoners van het huis waar we in gevlucht waren en gingen nog bij de vroegere koster van Assent, Smeyers, binnen.
Toen besloten we terug te keren in de richting van Webbekom-dorp en te zien of we in Papenbroek of op de Aardeweg geen onderdak konden vinden.
Nonkel Marcel zou terug naar Bekkevoort gaan; hij ging de kar afladen bij zijn broer in Assent. Wij zouden wel zien dat we de inhoud van de kar een van de volgende dagen daar konden laten halen, vertrokken in de richting van Papenbroek, maar we waren nog maar enkele honderden meters ver, bij de hoek van de Kwadestraat, toen een nieuw bombardement ons verraste. We vluchtten een herberg (toebehorend aan Dierckx, heb ik later gehoord) en kropen er, zoveel als het kon, onder de toonbank; ik kon er niet helemaal meer onder. Weer sloeg er een bom in op een korte afstand van ons. Weer vlogen alle ruiten uit. Ditmaal kreeg ik een paar glassplinters op mijn handen. Gelukkig bleef het voor ons bij die kleine verwondingen.
Na dit nieuwe bombardement gingen we naar Papenbroek. Daar gingen bij Bruyninckx vragen of we daar niet op de hoeve konden verblijven. We werden er heel vriendelijk ontvangen. Het ging echter niet, omdat er water in de kelder stond; er was geen veilige schuilplaats. We gingen dan verder tot de eerste huizen van het gehucht Aardeweg; daar gingen we binnen bij Door Distelmans. Op diens hoeve waren al veel vluchtelingen samengekomen, vooral mensen van Diest. We kregen er te eten - het was intussen al laat in de namiddag geworden - maar omdat er niet genoeg plaats was voor zoveel mensen, gingen we naar de overkant, bij Wi Vos (eigenlijk Wido Devos), de schoonvader van Door Distelmans. Daar hebben we de nacht van de 11de op de 12de in een kamer gelijkvloers op strozakken overnacht.
De volgende morgen, zondag 12 mei, was onze nonkel Maurits uit Deurne (bij Tessenderlo), die evenals Door Distelmans schoonzoon was van Wi Vos, ook op de Aardeweg aangekomen met zijn vrouw en zijn toen nog enig dochtertje. Nonkel Maurits vond het bij Wi Vos niet veilig genoeg voor ons; hij zei dat we beter naar Maurits Weckx, in het huis ernaast, zouden gaan. Daar was een veiligere kelder waar we in konden slapen. We gingen daar naartoe we werden ook daar heel gastvrij ontvangen.
De 12de mei was het Pinksterzondag. Onze pa ging met nonkel Maurits langs binnenwegen naar het dorp (we waren er ongeveer drie kilometer van af), om te zien of er een mis was in de kerk. Er was er geen. We hebben dan die dag bij Weckx een soort woorddiest gehouden met de mensen die er waren, Ik mocht daarin het evangelie voorlezen.
In het dorp had onze pa gehoord dat de Belgische soldaten er de eerste mensen hun huizen hadden doen verlaten en dat het dorp staat van verdediging werd gebracht. Veel mensen van Webbekom
98
hadden de vorige nachten doorgebracht in de open lucht, vooral in de holle wegen die naar de Heg leiden; gelukkig was het zacht weer.
De 13de mei bleven we bij Weckx op de Aardeweg. In de verte hoorden we schieten, het schijnt dat er op de Leuvensesteenweg één Engelse tank te zien was geweest. Verder waren er geen geallieerden tot in onze streek gekomen. Intussen was al wat we in Assent twee dagen tevoren hadden moeten achterlaten, met een kar afgehaald. Ik was blij dat ik zo toch enige boeken, speciaal een atlas van Verschueren (dat was mijn lievelingsboek!), had waarmee ik me kon bezighouden. We hadden anders niet veel te doen! Ik had o.a. ook al het Griekse alfabet, dat ik kort tevoren op het college (op de 6de Latijnse) geleerd had, uit het hoofd herhaald, al schrijvend in het zand.
Dinsdag de 14de mei 's morgens hoorden we dat de Duitsers in Webbekom-dorp en in Diest waren. 's Nachts waren ze er binnengekomen, nadat de Belgische soldaten de avond tevoren waren weggetrokken. Er was niet gevochten en voorlopig zou er zeker ook niet gevochten worden. We konden terug naar huis. In het dorp, en speciaal ook bij ons thuis, lag alles echter in de grootste wanorde. Kasten met boeken en kleren waren verplaatst of omvergegooid en leeggehaald; alles lag ondersteboven en door elkaar op de grond, veel was er verdwenen... De Belgische soldaten hadden in een muur, aan de kant van het water, een schietgat gekapt. Vader heeft dit dichtgemetseld enin het cement de volgende tekst gegrift die er nu nog te lezen is :
mei 1940, 13-5-40.
Omdat ons huis eerst nog opgeruimd en in orde gebracht moest worden, brachten we mijn zusjes eerst voor enkele dagen naar onze grootmoeder in Diest. In het dorp waren de mensen terug die in de omgeving gebleven waren. Anderen, die verder, sommigen tot in Noord-Frankrijk, gevlucht waren, kwamen pas na verscheidene weken terug. Op het college in Diest werden de lessen na een maand weer hervat, maar een aantal leerlingen was ook toen nog niet terug. Sommigen verloren er een jaar door. Slechts geleidelijk hernam het leven zijn gewone gang.
Webbekom telde in mei '40 één oorlogsslachtoffer, Felix Adams, 21 jaar oud, die sneuvelde als soldaat te Malonne bij Namen. D, oorlog was in alle heftigheid plotseling over onze streek gekomen. De volgende jaren zouden we de gevolgen ervan, zij het minder heftig, nog meer leren kennen.
Van de verschrikkingen van de oorlog, verlos ons, Heer!
F. CLAES S.J.