Dinsdag 14 mei
De nacht van maandag op dinsdag verliep betrekkelijk rustig, Uit verkenningen, bij dageraad verricht, bleek dat het Belgische leger Diest ontruimd had. De brug over de Demer was opgeblazen. Het 59e bezette de stad in de vroege morgen. Onmiddellijk werd met de bouw van een noodbrug over de Demer begonnen.
Het infanterieregiment 74 van zijn kant rukte op in de richting van Zichem. Nergens werd nog weerstand geboden. Langs de wegen lagen aanzienlijke hoeveelheden uitrustingsstukken en stonden talrijke verlaten voertuigen. Na de doorbraak aan het Albertkanaal scheen het Belgische leger sterk ontredderd te zijn, In Zichem was de brug over de Demer intakt gebleven.
Tussen korps en divisie was echter een touwtrekken begonnen over het al of niet verder oprukken. De divisiebevelhebber, die rond 7 uur in Diest aangekomen was, wou dadelijk beide regimenten 59 en 74, respektievelijk uit Diest en Zichem naar Leuven laten oprukken. De korpsbevelhebber daarentegen beval tot nader order in de veroverde uitgangsposities te blijven. Het korps verkeerde sedert het oversteken van het Albertkanaal nog immer in de onzekerheid wat zijn rechterflank betrof. Tussen de 19e en de 30e infanteriedivisie was weliswaar de 255e infanteriedivisie ingezet, maar deze was nog steeds in volle opmars. Haar optreden zou pas vanaf de volgende dag voelbaar worden.
Wat de spanning tussen korps en divisie nog verhoogde, waren de meldingen van patrouilles, reeds eerder op de dag vertrokken. Daaruit bleek dat het gebied tussen Demer en Dijle praktisch geheel ontruimd was. Ook luchtverkenningen bevestigden dit. In de leiding van de divisie was men er zich van bewust dat veel kostbare tijd verloren ging.
Pas om half vier stond het korps de opmars richting Leuven toe. Sedert 11 uur waren de troepen inaktief ter plaatse gebleven. De divisie was voorzeker nog zonder veel strijd door de Dijlestelling geraakt, had men in de voormiddag kunnen oprukken. In de namiddag betrokken de Engelsen stellingen in en om Leuven, waardoor aan ieder vooruitzicht op een snelle doorbraak bij de Dijle paal en perk gesteld werd,.
In twee marskolonnen ging dus om half vier de opmars verder. Infanterieregiment 59 trok langs de weg Diest-Leuven, naar Blauwput toe, infanterieregiment 74 over. Rillaar en Aarschot naar Wilsele. Talrijke wegversperringen maakten de opmars vermoeiend en tijd
75
rovend.
Rond 21 uur bereikte de voorhoede van infanterieregiment 74 de vaart Leuven-Mechelen te Wilsele. Stilaan viel de avond en grondnevel beperkte de zichtbaarheid. Waarnemingen aan de overzijde van de vaart waren uiterst moeilijk. Afgaande op de meldingen van de verkenningen, ontvangen in de loop van de dag, wou de divisiebevelhebber, die zich bij de voorhoede bevond, dadelijk met het oversteken van de vaart beginnen.
Nog voor de eerste manschappen echter de overzijde hadden bereikt, sloeg een moordend artillerievuur op de oostelijke oever neer. Vooral de gebouwen langs de vaart hadden erg te lijden. Instortende huizen veroorzaakten zelfs een begin van paniek onder de totaal verraste voorhoede. Aan het oversteken van de vaart viel voorlopig niet meer te denken.
Ook infanterieregiment 59 was rond 21 uur in Blauwput aangekomen. Voorposten drongen door tot aan de spoorweg, in de omgeving van. het station. Ook zij botsten op heftige weerstand. Beide regimenten lagen vast. Evenals aan het Albertkanaal zou de inneming van de Dijlestelling de inzet van een aanzienlijke artilleriemacht en een gemeenschappelijke aktie van de infanterie vergen. De Dijlestelling of KW-lijn, naar de beginletters van de eindpunten Koningshooikt en Waver, bestond uit een aaneenschakeling van bunkers. Tussen die bunkers, als villa's, stallingen en schuren gecamoufleerd, waren prikkeldraadversperringen en loopgraafstellingen aangelegd. Wat haar de naam van "stalen muur" bezorgde, vas een kilometerlang stalen hekwerk, bestaande uit aaneengeklonken elementen. Dat hekwerk was opgevat om onder druk van aanbotsende tanks samen te vouwen. De Dijlestelling betekende voor het aanvallende 6e leger werkelijk een niet te onderschatten hindernis.
Meer nog : na dagenlang geredetwist tussen de betrokken legerleidingen, wat de verdediging van de Dijlestelling haast fataal werd, betrok de Engelse derde infanteriedivisie stellingen in en om Leuven. Die derde divisie, een eliteëenheid, stond onder het , bevel van generaal Montgomery, de latere maarschalk. Aan weerszijden van de Dijlestelling zette men zich scherp voor de beslissende slag.
Aan Duitse zijde zou de 19e divisie steun krijgen van de korpsartillerie. Maast de twee vastliggende infanterieregimenten zou het derde regiment van de divisie, het 73e, ingezet worden. Dat regiment was, na het Albertkanaal te zijn overgestoken, tot 's namiddags in en om Paal gebleven. Het had de dekking van de rechterflank van de divisie moeten verzekeren. Dan kreeg het bevel om over Diest en St.-Joris-Winge op Leuven te marcheren, zoals daags voordien het 59e.
Voor het 73e begon toen een mars die de manschappen niet gemakkelijk zouden vergeten. Het was een drukkend hete dag. Met iedere kilometer werd het machinegeweer zwaarders rekten zich de armen onder de last van de munitiekisten. De voertuigen waren immers nog niet over het Albertkanaal geraakt en de manschappen moesten alles met zich meedragen. Rond 21 uur bereikte het regiment Diest. In die stad waren slechts weinig sporen van de oorlog te merken. Er werd in de pas gemarcheerd en de stemming in de
76
troep steeg van minuut tot minuut. Hoewel niemand bevel daartoe gegeven had, klonk plotseling marsgezang door de enge straten. De manschappen marcheerden en zongen als nooit tevoren onder hun diensttijd.
Op het oude marktplein stond de bevelhebber. Hij liet zijn eenheid voorbijmarcheren. Daar, met het oog op luchtaanvallen, iedere sektie afzonderlijk marcheerde, leek de kolonne geen einde te nemen. Steeds talrijker werden de kijklustige inwoners van de stad. Verwondering was duidelijk op hun gezichten te lezen. Van Diest ging het richting Leuven. Toen ze laat op de avond Bekkevoort bereikten, werd halt gehouden en aan de doodvermoeide soldaten enkele uren rust gegund.
Zo eindigde dinsdag 14 mei. De divisie had die dag zonder veel bloedvergieten de sprong van Demer naar Dijle bewerkstelligd, De verliezen van de dag bedroegen 3 doden, 33 gewonden en 1 vermiste. Het 59e en 74e hadden de strijd om de Dijlestelling reeds ingezet en het 73e was onderweg om er de doorbraak te helpen forceren. Voor heel wat mensen uit Oost-Brabant betekende die 14e mei de eerste ontmoeting.met de Duitse troepen.