Boek InfoVoorbladInhoudVeertig jaar na '40Een Duitse versieVoorwoordVrijdag 10 meiZaterdag 11 mei.Zondag 12 mei-SinksenMaandag 13 mei.Dinsdag 14 meiWoensdag en donderdag 15 en 16 meiWoensdag 15 mei : divisiesektorDonderdag 16 mei : divisiesektorWoensdag 15 mei : sektor van het derde bataljon IR 73Donderdag 16 mei : sektor van het derde bataljon IR 73Vrijdag 17 meiBronnen en bibliografieBijlagenDiest op 10 mei 1940mei 1940 te DiestMei 1940 in Webbekom en AssentVergissingKersbeek en omgevingMilitaire vliegveld VissenakenBelgische en Duitse tijdVliegveld Goetsenhoven 1940Meidagen in zuid-oost HagelandEen AnekdootjeVluchtMei 1940 NeerhespenErgens te veldeDe oorlog in het LandenseTienen en omgevingTesteltTentoonstelling Heemkunde in BrabantMobilisatie RillaarAarschot vluchtHouwaartSt.-Pietersrode en Kortrijk-DutselVerbeteringMeidagen 1940 HolsbeekDe meidagen '40 in LeuvenAverbode in 1940SchoonderbukenAchterblad
Oostbrabant 1980-2
Oostbrabantse Werkgemeenschap

Donderdag 16 mei : sektor van het derde bataljon IR 73

De aflossing van de manschappen van het 74e door de 9e kompagnie ging met aanzienlijke vertraging gepaard. Halverwege namelijk ras uit de aanvalszone van het le bataljon een wilde schiet­
80
partij te horen. De kompagniekommandant liet daarop zijn kompagnie in stelling gaan en ging zelf op verkenning uit. Het bleek alras dat op de oostelijke oever van de vaart, langs de spoorlijn naar Mechelen, nog een bunker bezet was, waaruit heftig geschoten werd. Er ontstond ook enige verwarring toen plotseling de spoorberm in een hel licht baadde. De geallieerden hadden de verlichting langs het spoor ingeschakeld om beter hun doelwit te kunnen zien, Dit toont aan hoe zorgvuldig de Dijlestelling uitgebouwd was.
Om halfvier Is morgens meldde de 9e kompagnie eindelijk telefonisch, via een speciaal gelegde lijn, dat ze de bewaking aan de vaart overgenomen had.
Bij dageraad werd de bunker op de oostelijke oever door het le bataljon uitgeschakeld. llet mag haast een wonder heten dat de bezetting van de bunker de officieren van het bataljon niet neergeknald had, die de avond voordien in de omgeving op verkenning waren.
Vanaf 8 uur verkende de bataljonskommandant samen met de kompagniekommandanten, de sektieoversten van de rroitrailleurkompagnie, de aanvoerders van de zware wapens en de pionierafdeling de aanvalszonde van het bataljon en de aanvalsdoelen.
Aan de overzijde van de vaart had men ondertussen bemerkt dat op de oostelijke oever een levendige aktiviteit heerste. Het ogenblik waarop de artilleriewaarnemers hun schaarverrekijker boven de dijkkroon schoven, was voor de Engelsen het teken tot het ontketenen van een tegenaktie. Plotseling sloegen twee zware mortiergranaten op de betonweg langs de vaart neer, een derde vlak achter de dekking en een vierde midden tussen de officieren in volle gesprek. De kommandant van de 12e kompagnie, Hauptmann Wiese, en zijn kompagnietroepaanvoerder werden gewond weggebracht.
Van dat ogenblik af was de rust aan de vaart voorbij. Met onregelmatige tussenpozen streken 15 a 20 zware mortiergranaten neer op de laatste 100 meter van de toegangsweg, de dijkkroon en een aan de betonweg staand huis. De Engelsen waren bijzonder nauwkeurig in het schieten. Iedere lading granaten kwam precies op dezelfde plaats terecht. Er bleef de 9e kompagnie niets anders over dan zo dicht mogelijk tot aan de vaartdijk te sluipen en zich zo diep mogelijk in te graven, de ene soldaat naast de andere, Achter de vaartdijk waren de manschappen beter tegen het mortiervuur beschut, daar het merendeel van de granaten reeds boven in de hoge populieren ontplofte. Die ontploffingen waren anderzijds zeer storend, daar de kleine granaatsplinters veel meer verspreid uiteenspatten. Ze veroorzaakten meestal echter geen dodelijke verwondingen.
Ook de verkenning werd zeer bemoeilijkt. Zodra zich ook maar iets boven de vaartdijk vertoonde, werd met een hagel van schoten gereageerd. De beide scherpschutters van de kompagnie slopen met gecamoufleerde helm tot in de voorste linie en een vijftal tommy's moesten in de eerstvolgende ogenblikken hun zorgeloosheid bekopen. Ieder schot van de scherpschutters werd echter met woedende schoten van de Engelse granaatwerpers beantwoord. Daarop staakten de scherpschutters het vuur.

81
Iets voor 14 uur kwam van het regiment het volgende telefonisch bericht : "Ten zuiden van Leuven slaagde een sterke patrouille erin haast zonder weerstand de Dijle over te steken. Het heeft de schijn alsof de geallieerde weerstand afneemt. Om 15u.30 zullen over gans het front van het legerkorps patrouilles de Dijle oversteken om na te gaan of dat vermoeden klopt".
De troep wilde dat bevel echter maar niet begrijpen. De geallieerde weerstand zou afnemen? Integendeel! Ook het gehucht, waar de uitgangsstellingen lagen, was al door de geallieerden onder vuur genomen. Toch moest het bevel uitgevoerd worden. Ook het 3e bataljon moest een patrouille uitsturen. De 9e kompagnie, reeds in de voorste linie, kreeg daartoe drie rubberbootjes toegewezen. De 10e kompagnie werd achter de 9e opgesteld om, ingeval de onderneming zou slagen, groepsgewijze de vaart over te steken. Gezien de aanhoudende heftige Engelse weerstand kwam die verkenning neer op de inzet van heel wat wapengeweld. Met alle beschikbare lichte wapens zou de bezetting op de tegenoverliggende oever in bedwang gehouden worden. Ondertussen zouden twee pantserafweerkanonnen op de betonweg langs de vaart in stelling gebracht worden en door snelvuur op de schietgaten de bunker aan de overkant uitschakelen. De drie rubberbootjes zouden vervolgens vliegensvlug te water gelaten worden en oversteken. Gedurende gans de onderneming zou de lichte en de zware batterij van de 13e kompagnie het flankerend Engels vuur uitschakelen.
Om tot de vaart te geraken moesten er gangen gesneden worden door de prikkeldraadversperring op de vaartdijk. Korporaal Staufenbiel, onverschrokken als altijd, regelde die zaak in alle kalmte. Binnen korte tijd had hij twee brede doorgangen gebaand. De rubberbootjes werden in de huizen achter de spoorberm gelaten om de onderneming niet voortijdig te verraden.
Zoals voorzien begonnen precies om 15u.28 de vier zware machinegeweren te vuren. De zware mortieren achter de spoorberm sloten erbij aan. De eerste granaten van het infanteriegeschut sloegen in de veldstellingen op de overzijde in. De lichte mortieren vuurden eveneens. Alleen de lichte machinegeweren waren niet in stelling gebracht, want op de dijkkroon lag een woedend vuur uit alle mogelijke lichte infanteriewapens : geweren, machinegeweren, machinepistolen. Nu moesten de rubberbootjes naar voren. De onderofficier en zijn zes man stonden klaar. Daar klonk plots de bange roep : "De rubberbootjes zijn verdwenen!" Niemand wilde het geloven, maar ze bleven onvindbaar. Men stond voor een raadsel. Waren het de twee burgers geweest, die zich in de huizen verscholen hielden? Daar geloofde niemand echt aan.
Ondertussen waren, ondanks het moordende Engelse vuur, de twee pantserafweerkanonnen in stelling gebracht. Îe vuurden op de bunker. Ook enige lichte machinegeweren waren beginnen te vuren. De overige twijfelaars bracht de kompagniekommandant met krachtige taal tot handelen. Ondanks heel die inzet gelukte het niet het vijandelijke vuur onder te houden. Bijzonder hinderlijk was geweervuur dat van boomschutters afkomstig scheen, maar het ergst van al was het zware mortiervuur. Eerst veegde het over de spoorberm heen, dan erachter, uiterst nauwkeurig, bijna iedere granaat trof. De eerste doden vielen, de gewonden werden steeds
82
talrijker.
De 10e kompagnie was nu ook aangekomen. De manschappen hokten samen in de weinige dekking die voorhanden was. De rubberbootjes echter bleven onvindbaar. Zouden dan alle verliezen vergeefs zijn geweest door die vervloekte bootjes? Machteloos moesten de mannen van de stoottroep van de 9e kompagnie toezien hoe ze al die verliezen leden zonder dat ze konden oversteken. Enige heethoofden wilden zelfs overzwemmen, maar dat verbood de kompagniechef dadelijk. De adjudant probeerde aan nieuwe bootjes te komen via het regiment. Hij kreeg echter geen telefonische verbinding. Dan maar in volle vaart met de motorfiets erop af.
Het gehucht, dat als uitgangspositie diende, kwam onder een immer sterker wordend artillerievuur te liggen. De geallieerden moesten zeker waarnemers op fabrieken of schoorstenen gehad hebben, want nauwelijks was een zware pantserafweersektie, met haar drie stukken geschut, de smalle weg naar het gehucht opgereden of er streek een waar trommelvuur van zware mortiergranaten neer. Reeds de vierde granaat trof als voltreffer het voorste stuk. De bediening viel uit.
Op de regimentsgevechtsstand aangekomen, vernam de adjudant dat bij het eerste bataljon, rechts van het derde ingezet, de onderneming mislukt was. De rubberbootjes waren bij het oversteken alle stukgeschoten. Ook het raadsel omtrent de verdwenen bootjes bij het 3e bataljon was meteen opgelost. Die bootjes waren op het laatste ogenblik, op bevel van het regiment, aan het eerste bataljon toegewezen en door dat bataljon ook afgehaald. Op bevel van het regiment werden aile aanvalsaktiviteiten stopgezet. De konrpagnieën, op een bewakingskompagnie na, moesten uit de voorste lijn teruggetrokken worden.
De adjudant keerde met het regimentsbevel terug. Er waren heel wat verliezen. Wie nu echter dacht dat alles weer rustig ging worden, vergiste zich deerlijk. De Engelsen hadden bemerkt dat de zaak aan de overzijde slecht afgelopen was. Nu was hun uur aangebroken. Een trommelvuur, zoals men dat in Polen niet had meegemaakt. streek op het gehucht neer. Op de toegangsweg en de weide bij de vaart vielen de zware mortiergranaten zo dicht als hagelstenen. Aan de kanaaloever, in nauwe schutterskuilen tegen de bodem gedrukt, lagen de 9e en 10e kompagnie, onder hen hun kommandant.
In het gehucht was geen huis meer zonder voltreffer. Als bewonderenswaardig moet de houding van hoofddokter Ruge en zijn onderofficier van gezondheid Schwedje geprezen worden. Zesmaal moesten ze hun verbandplaats wegens het artillerievuur verleggen en alle gewonden meenemen. De enige eigen steun aan artillerie bestond uit een lichte batterij van het artillerieregiment 19 en een zware batterij. De waarnemers van die batterij gedroegen zich bewonderenswaardig. Ze hadden hun radioposten achter de spoorberm opgesteld en gingen geen stap van hun plaats, ondanks het welgemikte vuur op de berm. De Engelsen profiteerden van hun overmacht aan artillerie om in groepen van 10 à 50 man hun troepen uit het achtergelegen gebied in de voorste lijn te brengen. De artilleriewaarnemers achter de spoorberm konden weldra enige voltreffers in die groepen doen terechtkomen. Dat maakte de tommy echter woedend en hij opende een wild mortier-
83
vuur op de spoorberm. Binnen korte tijd waren beide radioposten door voltreffers uitgeschakeld. Balans : een officier en drie man dood, twee man gewond, de toestellen onbruikbaar.
Nu bestond er werkelijk gevaar voor een geallieerde tegenaanval. Weer joeg de adjudant per motorfiets door het spervuur terug om bij het regiment steun van de artillerie te vragen en de bewegingen aan de overzijde van de vaart te melden. Steunende op meldingen van de divisie meende de regimentsbevelhebber echter dat er geen aanval meer te verwachten was. Verder zuidwaarts was de doorbraak geslaagd. Toch werd steun van de artillerie toegezegd. Omstreeks 18 uur nam het geallieerd vuur af. Het regimentsorder voor de aanval de volgende dag was toegekomen. De bataljonskommandant voerde een korte bespreking met de kompagniekommandanten vóór aan de vaart. Ze zouden zelfstandig verdere verkenningen uitvoeren. De 10e kompagnie zou bij het invallen van de duisternis de bewaking aan de vaart van de 9e kompagnie overnemen. Deze kompagnie zou na aflossing in Holsbeek kunnen uitrusten. De geallieerde artillerie vuurde alleen nog bij tussenpozen. Bij een van die salvo's kwam een treffer tussen de aflossende zware mortiergroep terecht. Twee man bleven dood, twee werden er gewond en de mortier was onbruikbaar.
De kommandant was juist vertrokken van de regimentsgevechtsstand, waar hij de gevechten in de loop van de dag gemeld had. Onderweg ontving hij het bericht dat luitenant Vilmar, met aanzienlijke dalen van zijn 11e kompagnie, de vaart overgestoken was en een bruggelnoofd gevormd had. Dat bericht was nauwelijks geloofbaar, maar het klopte.
Wat was er gebeurd? Luitenant Vilmar had door aandachtige waarneming vastgesteld dat de Engelsen, na het afslaan van de aanval, zeer zegezeker deden en nog nauwelijks oppasten. Er kwam aflossing en de nieuwe manschappen schenen de stellingen minder goed te kennen. Hij verzamelde enige pioniers met rubberbootjes rond zich en stak zonder veel weerstand te ondervinden over. Na de grote bunker op de vaartoever uitgeschakeld te hebben en na een korte schootenwisseling gelukte het in de voorste veldstellingen te dringen. Twaalf Engelsen gaven zich gevangen. Toen lag de11e kompagnie voor dicht struikgewas vast. Verdere steun was nodig om het bruggehoofd uit te bouwen. Dadelijk werd het bataljon op gang gebracht om eveneens over te steken. Nauwelijks was het onderweg of daar kwam een tegenbevel van het regiment. Daar de aanval voor de volgende morgen voorzien was en de vuurplannen voor de artillerie reeds vaststonden, had het weinig zin nog in de nacht over te steken. De 11e kompagnie moest dus terug. Het bleef bij de vooreerst bevolen beveiligingsstelling gedurende de nacht. Die nacht verliep over het algemeen rustig.