Boek InfoVoorbladInhoudVeertig jaar na '40Een Duitse versieDiest op 10 mei 1940mei 1940 te DiestMei 1940 in Webbekom en AssentVergissingKersbeek en omgevingMilitaire vliegveld VissenakenBelgische en Duitse tijdVliegveld Goetsenhoven 1940Meidagen in zuid-oost HagelandEen AnekdootjeVluchtMei 1940 NeerhespenErgens te veldeDe oorlog in het LandenseTienen en omgevingTesteltTentoonstelling Heemkunde in BrabantMobilisatie RillaarAarschot vluchtHouwaartSt.-Pietersrode en Kortrijk-DutselVerbeteringMeidagen 1940 HolsbeekDe meidagen '40 in LeuvenAverbode in 1940SchoonderbukenAchterblad
Oostbrabant 1980-2
Oostbrabantse Werkgemeenschap

161

DE MEIDAGEN '40 IN LEUVEN

De Tweede Wereldoorlog was een diep ingrijpend gebeuren met traumatische nawerking in het leven van miljoenen enkelingen. Als noodzakelijke uitloper van een periode van onvrede en crisis, die op het verdrag van Versailles volgde, liggen de karaktertrekken van deze wereldbrand evenwel gans anders dan in 1914-'18. De achtergronden van het conflict zijn van politiek-ideologische aard en weerspiegelen in een geest van revanche een latente spanning tussen de machtsverhoudingen der grote mogendheden. Duitsland wil zich een gunstige toekomst scheppen door levens­ruimte en door de uitbouw van een Europa der volkeren onder Germaanse hegemonie. Hiertoe zet het zich af tegen grootmachten als Engeland, bakermat van kolonialisme en imperialisme, en tegen de Verenigde Staten, concentratiepunt van de joodse geldmachten met zijn hyperbeschaving en morele decadentie. Later raakt Hitler ook in gewapend conflict met zijn natuurlijke vijand op ideologische en historische gronden : de Sovjetunie. Hij was er immers van overtuigd dat het bloedige zaad van de marxistische revolutie voor Duitsland de eerloze dolksteek in de rug betekende die tot het roemloze einde van 1918 leidde. De strijd tegen het goddeloze bolsjewisme moet Duitsland niet enkel de toegang tot de graanzolders en olieputten opleveren, maar deze kamp is in de eerste plaats een brevet van geloofwaardigheid voor de nieuwe orde ten opzichte van het traditioneel-kristelijke Europa. Er is echter méér. Door zijn omvang en technische vernietigingsmiddelen is de Tweede Wereldoorlog van in den beginne revolutionair op stuk van strategie. Blitzkrieg en totale oorlog verhoogden in ruime mate de effektieve betrokkenheid van alle bevolkingslagen bij het oorlogsgebeuren.
Men kan zich best inbeelden dat ik als jonge knaap weinig of geen inzicht had in de politieke tijdsomstandigheden van de jaren '39-'40. Het is dan ook op basis van argeloze gevoelscategorieën dat de levendige herinneringen uit die dagen werden opgebouwd. Naast een zekere oppervlakkigheid maakt een scherpe opmerkingsgave voor het detail en het anecdotische dit euvel weer goed. Een kind heeft geen vooroordelen : toen het allemaal begon, kende ik geen gemotiveerde voorkeur of afkeer voor één der strijdende partijen. De duiding welke ik onwillekeurig te verwerken kreeg, bereikte mij meestal via de luidruchtige gedachtenwisseling van mijn vader met zijn vrienden tijdens de mobilisatieperiode. Ook betekende oorlog voor mij de vage realisatie van een reeks wrede prenten uit een boek over de Spaanse burgeroorlog, De griezelige hopen verminkte lijken werkten met niet meer romantiek op mijn verbeelding dan de dode krijgers uit de Romeinse geschiedenis. De eerste oorlogsdag zou deze dromen bruuk stukslaan.
10 mei 1940. Het is 5 uur in de morgen van een beloftevolle stralende vroeg-zomerdag. De hele buurt is wakker en de mensen speuren uit de ramen met slaperige ogen naar de hemel. Knetterende granaten borduren héél hoog tegen het dagende uitspansel talloze
162
witte wolkjes. Alen hoort daarbovenuit het sinistere gebrom van Duitse vliegtuigformaties. Kleine nietige stipjes bewegen zich in onberispelijk gelid voort, westwaarts ... Zo meteen weten de mensen dat dit oorlog betekent. Hier en daar wordt de T.S.F. aangezet. Als men dan na het wegsterven van een krakerige "Brabançonne" een beverige stem hoort praten over kalmte, moed en vastberadenheid, dan verzwindt elke twijfel. Over zulke dingen spreekt men zo vroeg in de ochtend niet tenzij het oorlog is. "Voor de tweede maal in twintig jaar tijds'' mompelt men.
Vader nam de zaken nogal kalm op. Zoals het trouwens een vetera an uit de grote oorlog past. Zwijgend zag ik hem die dag rondsnuisteren in huis om na te gaan wat al dan niet diende te worden meegenomen, mocht het tot een evacuatie komen. Hij zei dat wij, burgers, allemaal "ve,rplichte weggevoerden" waren, maar dat hij met onvolprezen doodsverachting op de desaangaande maatregelen van de autoriteiten zou wachten. Uit zijn ondeugende blik kon ik afleiden dat geen enkele instantie begaan was met deze evakuatie van de burgers. Moeder en ikzelf begrepen instinctmatig dat hij niet van plan was een voet te verzetten. Dit onderwerp vormde de spil van een heftige woordenwisseling met moeder. Die was van oordeel dat we onmiddellijk de wijk dienden te nemen naar veiliger oorden, zoals Brussel. dat een "open stad" was. Hoe open zulke steden wel waren, zou véél later blijken uit de tragedie van steden zoals Rotterdam, Hamburg en vooral Dresden. Mijn moeder riep de gruwelen uit de vorige oorlog voor ogen, taferelen van moordende en bezopen Pruisen die als moderne Noormannen door het weerloze land trokken. Mijn vader verpinkte geen spier. Het huis verlaten bij alarm, tot daar toe, argumenteerde hij; wegtrekken en alles prijsgeven aan willekeur en plundering, nooit ofte nimmer! Daar bleef het dan bij. Wel zagen we die dag reeds vele buren optrekken, bepakt alsof ze de reis van hun leven gingen maken. Er kwamen fietsen bij te pas, volgeladen als kamelen, rugzakken en vervaarlijk uitpuilende valiezen. Arme kandidaten voor een vreemde vakantietrip.
Ook de twee jongejuffrouwen op leeftijd Pintaens verlieten zuchtend hun proper huizeken. Plechtstatig als in een processie droegen ze elk een kanariekooitje voor zich uit. Als die twee hun ivoren toren verlieten, dan moest het wel erg zijn, zo dachten de mensen.
De avond echter van de eerste oorlogsdag zou voor mij en voor vele mensen uit de wijk de vuurdoop betekenen ten opzichte van genadeloos oorlogsgeweld. In het krantenstalletje van Leuven­station kon men elke dag 's avonds de laatste editie van sommige bladen krijgen. Daar haalde ik regelmatig vaders dagblad. De avond van de 10de mei was ik al wat vroeger op stap, want men vertelde dat de Engelse troepen langs de Naamsevest met tanks de vijand tegemoet reden. Inderdaad ter hoogte van de Tiensepoort stonden massa's mensen uit de buurt samen met zwaar beladen vluchtelingen on ,ze koene verdedigers toe te juichen. De Britten reden in kleine rupswagentjes de richting van Diest uit. Ze keken onder hun schotelvormige helmen strak en onverstoorbaar. Het krioelde ook van hijgende Belgische soldaten, zwetend onder hun wollen tunieken en gebukt onder 't gewicht van hun volle krijgsuitrusting. Het legendarisch flegma van de Engelsen en hun man
163
haftige rosse snor bleek de burgers méér gerust te stellen dan de beverige stem van Radio-Brussel uit de vroege morgen. Het feit alleen dat die onverstoorbare venten in een goeie dag tijd reeds in Leuven waren, betekende voor ons, simpele mensen, een enorme morele opkikker. Later echter,vernam ik dat ze sinds maanden aan onze zuidergrens lagen te wachten op de dag dat Hitler zou toeslaan,
Door al die drukte begeesterd trok ik verder in de richting van het station. Plots begonnen de sirenes te loeien en in de klare avondlucht ontspon zich hetzelfde scenario als 's morgens. Een eskader vliegtuigen trok over, hevig onder vuur genomen door de Belgische luchtafweer. De mensen stonden op het Martelaren­plein met bange gezichten naar de hemel te staren, toen plots een man riep : "Ze hebben d'er één!" Ja, hij scheen gelijk te hebben ook, want één van de vliegtuigen dook onder schril gefluit vertikaal naar beneden. Na een paar seconden echter verstomde het gejuich van de toeschouwers. Een oorverdovende klap deed de grond trillen en ik hoorde de ruiten van de huizen aan scherven vallen. Het gevallen vliegtuig doemde achter de bomen op en trok zich weer omhoog. Een agent blies op zijn fluitje en brulde voortdurend : "Iedereen de kelder in, bombardement!" Die verduidelijking was overbodig, want ondertussen had het hele eskader onder oorverdovend gegier de duikvlucht herhaald. De ontploffingen volgden elkaar op, méér ruiten vlogen aan scherven en de grond schudde als bij een aardbeving.
Samen met een groepje onthutste mensen werd ik een kelder ingedrumd. In de benepen ruimte tussen vaten en wijnflessen leken de minuten uren. Er brandden een paar kaarsen en een vrouw bad weesgegroetjes voor. Iedereen bad mee, want bij elke bomontploffing schilferde er kalk naar beneden en trilden de wijnflessen als bezield door een bevreemdende kracht. Na een tijdje, wellicht 15 minuten, weerklonk de langgerekte toon van de sirenes. Het luchtalarm was voorbij. Toen ik met opluchting het hotel buitenkwam, zag ik mijn vader angstig rondkijken op het plein. Hij was me achternagekomen, gedreven door het voorgevoel dat er toch wel eens wat kon gebeuren. De brave man was zo gelukkig me nog levend terug te zien! Hij vertelde me hoe hij bij de Tiensepoort het bombardement had meegemaakt en schuil had gelegen achter een zware boom. Naarmate we het kruispunt naderden, lag er méér en méér glas op de stoepen en keken de mensen méér verwilderd: Een nare geur van brandend hout en stof liet het ergste vermoeden. Allerlei materialen lagen her en der verspreid, zo ondermeer tientallen schoenen, sommige verpakt in lcartonnen dozen. De elektrische kabels bengelden aan de huizen en de weg lag bestrooid met het gruis van verbrijzelde dakpannen.
Naarmate we het inferno naderden, zag ik slachtoffers. Dit greep me wel meest aan. Het was héél wat anders dan de prentjes uit de Spaanse oorlog... Aan het drukke kruispunt waren verschillende huizen ingestart en de brede puinhopen versperden de toegang tot de Tiensesteenweg. Een garage brandde met torenhoge vlammmen en pikzwarte rookwolken. Het fijne stof, dat uit de puinhopen opsteeg, prikkelde de neus. Tientallen onherkenbaar verminkte lichamen lagen her en der verspreid. Een groepje soldaten greep de lijken bij hun bebloede en aan flarden gereten kleren en
164
gooide ze op een legerwagen. Het zien van een vrouwenromp zonder hoofd of ledematen, één gruwelijke bloederige vleesklomp; deed me walgen. Jarenlang hebben deze beelden me achtervolgd. Ter zijde van de toenmalige tolhuisjes uit de Hollandse tijd stonden ijzeren omheiningen van ongeveer 50 cm hoogte. Tegen een van die afsluitingen lag een oude man, vaalbleek zonder één schram. Getroffen door de luchtverplaatsing, zeiden de omstaanders. De gewonden kreunden om hulp. Ik smeekte mijn vader door die gruwelijke hel niet te moeten doorgaan en de omweg over Park-Heverlee te maken. Hij stemde toe en zo bereikten we bij valavond het huis, waar moeder, ten prooi aan duizend angsten, op ons wachtte.
Men vertelde dat er wel een vierhonderdtal doden waren. De meesten lagen bedolven onder het puin; velen vond men verkoold terug in de uitgebrande garage waar ze waren binnengevlucht. Men heeft tal van hypothesen gemaakt over het waarom van deze onzinnige luchtaanval. Hebben de Luftwaffepiloten die massa burgers dan niet gezien?? Wellicht wel, maar vermoedelijk luidde hun opdracht het blokkeren van dit vitaal kruispunt. Sommigen hielden vol dat het gewoon een terreuraanval betrof, bedoeld om het moreel van burgers en soldaten te breken. Anderen dachten dat de Duitsers de spoorwegbrug wilden raken, maar duikbommenwerpers missen hun doel nu eenmaal niet met méér dan 300 meter.
Dit gebeuren was alleszins van die aard dat het vele twijfelaars ertoe aanzette toch op de vlucht te slaan. Zo kwam het tot de noodlottige overbelasting van de wegen gedurende de meidagen. Het leger zag zich in de onmogelijkheid een bewegingsoorlog te voeren. Troepen en vluchtelingen sukkelden in lange slierten westwaarts, bestookt door de niet aflatende vijandelijke luchtmacht. Dat doel hadden de Duitsers wellicht voor ogen gehad. Onze buurt betaalde een zware tol aan deze strategie. Weken later nog werden lijken van onder het puin gehaald en doofde aldus in vele gezinnen een laatste sprankeltje hoop ... De lijkgeur was ondraaglijk. Onder een zware ijzeren balk begraven lag een man van wie enkel de voet bereikbaar was. Men heeft dagen gewerkt om het lichaam te bergen. De eerste oorlogsdag had mij als kind met één ruk tegen de volle oorlogsgruwel aangedrukt. De panische schrik en de ontzetting bij zoveel onnoembaar leed is me gans het leven bijgebleven. Dat brokje verleden zal slechts met mij, sterven.
Marcel SCHREVENS
Tiensesteenweg 399
3000 Leuven