Dinsdag 14 mei
Nog steeds trokken vele vluchtelingen door de Dorpsstraat. Mijn moeder, mijn zusters en ik, wij maakten ons klaar om naar de Houwaartseberg te gaan. Wij hadden goed gegeten van de hesp die moeder op tafel had neergelegd en zij stelde voor het overige van de hesp op tafel te laten liggen ten einde de binnenvallende Duitsers goed te stemmen!
Door de velden bereikten wij de Houwaartseberg en wilden onze intrek nemen bij T. Van Horenbeek. Daar het huis van die familie van overal goed zichtbaar was, gingen wij naar het huis Labro, dat verscholen was op de helling van de heuvel te midden van een boomgaard. Achter het huis was er een zeer diepe weg, waar wij eventueel konden gaan schuilen. Wij werden daar zeer hartelijk ontvangen ofschoon er ook andere vrienden en familieleden aanwezig waren. Ondertussen zagen wij beneden op de weg Rillaar-Houwaart steeds soldaten en burgers voorbijtrekken. Na de middag ontstond er plots een stilte, geen mens of dier was er te zien, de vijand ging komen. Ik had mij teruggetrokken in de diepe weg, maar omdat ik van daar niets kon zien van wat er zich beneden in het dal afspeelde, trok ik naar een bosje in de buurt vanwaar ik een uitzicht had op het dal van Houwaart. In het bosje trof ik nog een paar mannen aan, bewoners van de Houwaartseberg. Lang hoefden wij niet te wachten, Weldra zagen wij de eerste troepen naderen uit de richting van Rillaar (of Tielt) naar het centrum van Houwaart toe.
Opeens zagen wij een motorrijder met zijspannetje de troep verlaten en dwars door de velden kwam hij met zijn makker recht op ons af. Aan de voet van de heuvel zwenkte hij en reed naar het huis Labro. Daarop hoorden wij geronk van vliegtuigen, die op geringe hoogte over de heuvel vlogen. Op dit moment dacht ik dat het met mij gedaan was. Ik liet mij vallen in het struikgewas en bleef daar liggen totdat alle gevaar geweken was. Toen ik dan eindelijk opstond, zag ik de motorrijder mét zijn zijspan terug door de velden rijden naar de steenweg om zich bij de andere troepen te voegen, Aan de overkant van het brede dal van Houwaart, zag; ik eveneens talrijke legerwagens die van Motbroek ( S. J. Winge ) in de richting van de Roeselberg (Houwaart ) reden.
Benieuwd en vol angst trok ik naar de hoeve waar ik mijn familie had achtergelaten, Daar stelde ik met vreugde vast dat zij over hun schrik heen waren. De twee waren zeer vriendelijk
149
geweest. Zij vroegen om eieren voor hen klaar te maken, Terwijl - vrouw des huizes daarmee bezig was, vroeg een van de Duitsers aan mijn oudste zuster om een knoopje aan zijn hemd te naaien. De soldaten vroegen waar de mannen waren. Een der aanwezigen antwoordde dat zij uit angst gevlucht waren. De Duitsers verklaarden dat zij eveneens bang waren. Nadat de Duitsers gegeten hadden, trokken zij weg en dankten hartelijk voor het eten en de ontvangst,
Bij valavond hoorden wij hevig kanongebulder dat uit de richting Leuven-Wijgmaal kwam en toen het donker werd zagen wij in dezelfde richting een grote rode gloed. Ondertussen hield het kanongebulder maar niet op.
Wij bleven overnachten in het huis Labro, maar van slapen kwam er niet veel terecht.
De volgende ochtend kwam er iemand zeggen dat in het dorp alles rustig was; daarop besloten wij terug naar huis te gaan. Wij vonden onze woning in dezelfde toestand als wij ze verlaten hadden; de hesp lag nog onaangeroerd op tafel.
In de loop van de dag kregen wij het bezoek van de veldwachter, vergezeld van een dorpsbewoner; zij vroegen om logies voor twee Duitsers. Deze waren weldra ter plekke. Zij kwamen, naar zij zegden, uit Oost-Duitsland. Een ervan was onderwijzer en hij verklaarde dat hij meerdere boeken had gelezen van Ernest Claes en van Felix Timmermans,
Onze textielwinkel werd opnieuw geopend. Die dag en ook de volgende dagen was het een komen en gaan van Duitse soldaten, die vooral nylonkousen kochten. Zij betaalden met Duits geld, zeggend dat wij dat geld weldra zouden kunnen omruilen tegen Belgisch geld, wat inderdaad gebeurde. Meer dan eens nam een Duitser kousen of textiel mee zonder te betalen. Maar wat kan je daarop zeggen in die woelige dagen?
Het was erg druk in het dorp door het komen en gaan van Duitse soldaten, Er werd verteld dat er op het kasteel hogere officieren van het Duitse leger logeerden, Weldra hernam het leven in het dorp zijn gewone gang; de troepen waren weg en talrijke gevluchte burgers kwamen terug, Hartelijk begroetten wij mijn vader en mijn broers, die hun lotgevallen vertelden.
Het nietsdoen begon mij te vervelen. Met de fiets trok ik naar Aarschot, waar ik de verwoestingen ging bekijken. In Blauwput zag ik de ingestorte spoorwegbrug, maar er was reeds een opening gemaakt om het verkeer door te laten. Toen ik vernam dat de Duitsers daar talrijke mannen tegenhielden om "eine Stunde zu arbeiten", maakte ik rechtsomkeer.
Weldra vernam ik over de radio dat de scholen heropend werden en dat het onderwijzend personeel verzocht werd zo spoedig mogelijk zijn post te hervatten.
Op 20 mei reed ik per fiets terug naar het Antwerpse. Te Lier, waar ik in een café wat uitrustte, hoorde ik over de radio dat de koning met zijn leger zich had overgegeven.
In de school te Berchem ontbraken heel wat leraars en leerlingen, maar langzamerhand kwamen bijna allen weer terug.
Fr. SCHEYS