1. Uit het dagboek van Ere-deken A. Verpoylt.
Op 2 oktober 1939 werd het hoofdkwartier van het IIde legerkorps te Aarschot gevestigd, alsook de gezondheidsdienst. De hoofdaalmoezenier Colinet verbleef in de dekenij. Het parochiezaaltje naast de dekenij diende als soldatenkring. Al de zalen van de parochiale werken waren ingenomen door de soldaten. De winter was zeer streng en verliep zonder speciale gebeurtenissen.
10 mei 1940
De oorlog komt in ons land. Reeds dezelfde dag worden er gekwetste soldaten aangebracht in het gasthuis, komende van het vliegplein van Schaffen. Enkele burgers verlaten de stad. 's Zaterdags 's morgens, vooravond van Sinksen, wordt de atelier en de Leuvense steenweg aldaar gebombardeerd. Er is nogal stoffelijke schade en één gekwetste.
Zaterdag namiddag rond half twee, tweede bombardement door vliegtuigen op station en omgeving, er waren een paar gekwetsten en vier doden : een soldaat, een burger, François de Meuter, en een man en een vrouw die bedolven waren onder het puin van een ingestort huis in de Stationsstraat.
Daarop verlaten vele inwoners de stad en gaan naar naburige en of verder naar het westen van het land. Daar het vooravond was van Sinksen bleven wij (ik, E.H. Cappaert en E.H. Raeymaekers, onderpastoors) aan de biechtstoel in de kerk. Doch slechts een tiental parochianen kwamen te biechten.
E.H. Devel werd gemobiliseerd en was 's zaterdags 's morgens vertrokken, 's Avonds ga ik met Cappaert en Raeymaekers naar het college om daar de nacht door te brengen in de kelders van het nieuwe gebouw. Er was daar reeds veel volk uit de gebuurte aanwezig. 's Nachts komt men daar zeggen dat het raadzaam was de stad te verlaten. De organisatie van de passieve luchtbescherming werd ontbonden en er zou geen teken van gevaar meer gegeven worden.
De stad liep kwasi leeg en uit het gasthuis werden de militairen weggebracht. Ik vertrok met de onderpastoor rond half elf met het inzicht rond Aarschot te blijven en logeerde die nacht te Wezemaal op de pastorij.
12 mei. Sinksendag. 's Morgens, rond kwart voor 5, erge luchtaanval op de stad. Werden voornamelijk geteisterd : de Brakepoort en het inkomen van de Lei, en de Molenberg. Het drossaarde werd vernield, het gasthuis (voornamelijk de boerderij) werd fel geteisterd. De kapel van de Paters Picpussen werd vernield. Naast het college viel ook een bom en de gebouwen werden fel beschadigd.
Er vielen betrekkelijk weinig slachtoffers. Enkel aan het Damiaangesticht viel de familie Demarsin-Verhoeven (vader, moeder en klein kind) en ook een familie van Schaffen die op de vlucht was.
144
Dit klein getal slachtoffers moet worden toegeschreven aan het feit dat de meeste inwoners Aarschot verlaten hadden. Vanuit Wezemaal hoorde ik het bombardement. Op de tweede sinksendag ben ik terug naar Aarschot gekomen: Ik vond er veel gehavende huizen, veel vernielde ramen. In sommige huizen was er ingebroken. Enige mensen kwamen hier, maar verlieten weer de stad. Vele verbleven in de omgeving : Nieuwrode, Houwaart en Tielt.
's Avonds ga ik terug overnachten in Wezemaal in de pastorij met het inzicht 's, anderendaags terug naar Aarschot te komen. Doch daar toen het Belgisch leger in volle aftocht was, ging ik met de pastoor van Wezemaal in de richting van Brussel. Dinsdagnamiddag 14 mei werd Aarschot door de Duitse troepen bezet. Dinsdag 21 mei ben ik terug in Aarschot aangekomen. De kerk was nog altijd gesloten, niets was er aangeroerd. De ramen van het hoogkoor waren nogal beschadigd ten gevolge van het bombardement rond het drossaarde. Er was geen andere schade.
De beide onderpastoors waren naar Frankrijk gevlucht omdat ze zich bij het leger wilden aanmelden. Op woensdag 22 mei werd er terug mis gelezen in de kerk. Er waren enkele mensen aanwezig. Aangezien het hoogkoor niet kon gebruikt worden om reden der beschadigde ramen, werd het altaar van het H. Sacrament gebruikt.
Op 23 mei 1940 schreef Kardinaal van Roey me een brief met volgende inhoud : "Zeer Eerwaarde Heer Deken; Ik verneem met genoegen dat ge ongedeerd te Aarschot zijt teruggekomen en ik bid, God U verder te beschermen. Gelief de parochiedienst te Aarschot en in de andere parochiën der dekenij te regelen naar best vermogen. Te Aarschot ware het best de Paters Picpussen te doen helpen. Met mijn hartelijke zegen en beste gevoelens. Get. J.L. Kard. van Roey, aartsb, van Mechelen"
Maandag 27 mei kwamen de onderpastoors terug uit het noorden van Frankrijk. Op 28 mei overgave van het Belgisch leger.
De eerste helft van juni trekken hier veel Belgische soldaten door als krijgsgevangenen op weg naar Duitsland. Stilaan ook beginnen de parochianen-vluchtelingen thuis te komen, sommigen na veel ontberingen. Begin september waren de meesten terug thuis.