Woensdag 15 mei.
. De 3e Britse Infanterie Divisie werd bij Leuven hevig aangevallen, doch zij hield stand. Tussen Samber en Maas moest het 9e Franse Leger maar steeds meer en meer wijken, onder de druk van de Duitse pantsers, zodat de rechterflank van het 1e Franse Leger in gevaar kwam. De K.W.-lijn werd, ondanks de hevigste aanvallen, gehandhaafd ten koste van de zwaarste offers, terwijl vele krijgsgevangenen in handen van de vijand vielen.
Het volk kwam geleidelijk uit de huizen en stond op straat naar de jongens te kijken die als krijgsgevangenen werden weggebracht. De menigte was nieuwsgierig, de soldaten suf, verstompt, begeleid als ze waren door Duitsers, die dachten, aan hun gezicht te zien, dat gans de wereld hun reeds toebehoorde, Ruw en brutaal tierden en vloekten zij op onze dapperen, die zwijgend, zwetend onder de stikkende stralen van een brandende zon, voortstapten. Wie zal ooit weten, wat al voor tragedies zich afspeelden in het gemoed van deze willoze gevangenen?
Uitgeput strompelden ze verder, reeds hadden ze de ontbering en ellende van een oorlog ervaren. Als uitgehongerden sprongen ze op het brood, hun door een medelijdende hand toegestoken, wild grepen ze naar een sigaret, hun door een begrijpende ziel gereikt. Maar intussen werden ze steeds als waardeloos opeengedreven vee voortgejaagd door lieden die elk greintje erbarmen verloren hadden, denkend dat zij alleen de naam van mens waardig waren, zij, de "Ubermenschen".
Moeders en vaders keken tussen die grote kudde naar hun kind, hun zoon uit. Jonge vrouwen met een wichtje op de arm, tuurden tevergeefs in die eindeloze rangen, zoekend naar hun man, die voor enkele weken wel te moede zijn vrouw ten afscheid had gezoend, om aan het kanaal de wacht op te trekken. Velen pinkten een traan weg, loosden een zucht en in stilte werd een vuist gebald, een vuist die er zo graag op los zou slaan, loshameren op die Feldgrauen, die de gevangenen verder dreven, steeds verder en ... wie weet waar naartoe?
Hadden.de "Hunnen," dan nooit geleerd, wat meelij is, want soms als een soldaat het wagen durfde even te ver maar uit de rij te lopen, om zijn dorst te lessen, kreeg hij de kolf van 't geweer in
129
de ribben, of een schop tegen de benen. "Verdammt" klonk het vloekend en dreigend en zo ging het immer voort, zonder eind stapten ze voorbij, de Belgen met neerhangend hoofd, de Fransen geradbraakt, de Engelsen en Schotten met hun geruite rokken gemonsterd. Nieuwsgierig werden de kolonialen bekeken, de Senegalezen, Algerijnen en Marokkanen.
En plots deed zich een incident voor. Een gevangene die moeizaam verder strompelde, werd onmeedogend op het hoofd geslagen, stortte neer .... levenloos. Rumoer steeg op uit de menigte, rumoer dat aangroeide, maar de bewakers grijnsden en een paar schoten in de lucht brachten de massa weer tot bedaren. Doch de wraak in hun harten verwekt, zou niet tot bedaren komen, hoger laaide ze op om zich eens te uiten, eens ....