Vrijdag 10 mei
Onvergetelijk en droevig ondanks al die zon aan de heldere hemel. Soldaten van het 4e Lansiersregiment liepen hun oversten na, naar de verdedigingswerken buiten de stad, die zij vanaf 20 april waren beginnen te graven, als bruggehoofd op de Gete rond Tienen. Nu betrokken zij deze stellingen en stelden zich cirkelvormig rond de stad op, terwijl het 7e motorijders-eskadron van dit regiment de bruggen tot Hoegaarden onder haar verdediging nam.
Het 4e Lansiersregiment was gevormd in de mobilisatie en had op 16 september 1939 te Tienen, door Koning Leopold III, zijn vaandel gekregen, namelijk de oude vlag van de 2e Kurassiers uit de eerste wereldoorlog, met de citaten "Haelen, Antwerpen, Wippelghem".
Het regiment bevatte 4 fusiliers-eskadrons, met elk 4 pelotons, 2 mitrailleur-eskadrons, elk 4 secties groot, 1 Staf-eskadron, 1 motorijders-eskadron (7e), met 3 verkenners- en 1 afbakenpeloton, 1 anti-tank eskadron (8e) met 8 kanonnen van 4cm7 en 1 transport-eskadron (9e).
Zij hadden als taak de sector van Tienen te verdedigen, terwijl andere eenheden opgesteld lagen tussen Tienen en Halen en in de zone van Orsmaal-Gussenhoven tot St.-Truiden.
De plotselinge bezetting van de verdedigingsstellingen verwekte een ongewoon gedoe, waardoor de rnensen uit hun slaap werden gewekt. Verschrikte en bleke gezichten hingen uit de ramen en dan kwamen de mensen schichtig en schuchter uit hun huizen, elkaar vragend wat er gaande was. Zij spraken zo stil, net alsof ze benauwd waren van iets dat ze niet kenden.
En plots ontwaarden zij ginds in het oosten, heel hoog in de blauwe hemel, zwarte bijna onbeduidende puntjes, die steeds groter, werden en witte strepen nalieten. Dom én niet begrijpend tuurden de mensen naar die vreemde en zwart-grijs ronkende tuigen, die dreigend en somber als een dondergeroffel naderden, spottend met alles wat,onder hen lag.
"Duitsers" schreeuwde de angstige stem van een man die een verrekijker in de hand had en de zwarte kruisen op de vliegtuigen had bemerkt. Doodsbenauwd en sprakeloos schenen de mensen aan de grond genageld, niet wetend wat aan te vangen. Zij schenen wel verlamd.
En toen gebeurde het. De dood stortte uit die duikende tuigen, niets of niemand ontziend. In groot aantal cirkelden zij nu boven de stad en over het vliegveld van Goetsenhoven. Het volk vluchtte in kelders, door paniek aangegrepen. Tienen, zoals vele andere steden, had zijn eerste tol betaald. Lijken lagen her en der onder het puin van ingestorte huizen en voortdurend met korte tussenpozen keerden de helse tuigen terug, die vervloekte en
121
ongewenste Stuka's, die zonder het minste ultimatum, ons vreedzaam volk kwamen bestoken.
In duikvlucht doken zij neer, onbarmhartig vuur, dood, vernieling en ellende spuwend. Bommen vernielden het vliegveld, troepen en hun stellingen werden bestookt. Geween en geschrei, gehuil en gevloek, gekerm en getier, het kon al niet baten, de dood kwam op het volk neer, onmeedogend en onverwacht, opgedoken van uit het eeuwige oosten, voor de tweede maal sedert een kwart eeuw. Ontploffingen volgden elkaar op. Mensen bezweken, anderen baden en riepen om bescherming en smeekten huilend om hun leven.
Dan eindelijk waren de bommenwerpers vertrokken, onbekommerd om het verschrikkelijk leed dat ze hadden gebracht, blij te moede wellicht om al het wee dat ze hadden doen ontstaan in de harten en zielen van een vredelievend volk.
Voorzichtig werd ergens een deur geopend, langzaam en onzeker verscheen een kop. Angstige ogen keken in de straat. Alleen het gekerm en gekreun van gewonden, het gerochel van stervenden, verbrak de akelige stilte, met in de verte nog het geronk van wegtrekkende Stuka's.
Wanhopig stond daar een man naar de puinen van zijn huis te turen, waaronder zijn vrouw lag. Onbeweeglijk star klopte een ander bij zijn gebuur aan. Suf bekeken zij elkaar, maar geen enkel woord kwam over hun droge bevende lippen.
En geleidelijk ontsloten meerdere deuren zich. Onbeholpen en hulpeloze mensen en schreiende kinderen kwamen te voorschijn. Zwijgend luisterden zij allen naar het hartverscheurend geroep dat vanuit al die puinen en trechters opsteeg,
Zo vond ik de straat, bij het verlaten van de schuilkelder, en voegde mij bij een wachtende groep mensen, want wachten deed iedereen, zonder te weten naar wat. Wij voelden ons getroffen tot in het diepste onzer wezens, gemengd met haat tegenover die laffe aanvallers.
Plots riep iemand "Vooruit mannen, steek de handen uit, er liggen mensen te sterven". Deze oproep verbrak de akelige zenuwslopende stilte en de eerste reddingswerken vingen aan. Zo was ook onze eerste kennismaking met hen, die zich het "Herrenvolk" noemden en ons hun "Kultur" brachten.
In de morgen van die akelige dag vernamen wij over de radio dat het oorlog was, oorlog met al zijn ellende, zonder de minste verwittiging, zonder de minste vorm van ultimatum, laffelijk door de Barbaarse horden van over de Rijn overvallen. Pantserdivisies van von Bock en von Rundstedt waren bij dageraad te 05.00 uur over onze grenzen gerukt en ook Frankrijk en Nederland binnengevallen. Ons leger en ons volk werden onverwachts aan niets ontziende moorddadige en paniekverwekkende luchtaanvallen onderworpen en dit ondanks het feit, dat Hitler weinige dagen te voren, nog de eerbiediging en onschendbaarheid van ons grondgebied had beloofd.
Vliegvelden en militaire punten lagen nu in de branding, maar ook de weerloze burgerbevolking werd onmeedogend bestookt en beschoten door de Luftwaffe van Göring. Honderden valschermspringers daalden uit de mooie lentehemel achter onze lijnen neer. Met een fanatieke haat en moordlust zaaiden hun machinegeweren dood en vernieling in het rond. Aan het Albertkanaal bood ons leger
122
gedurende 36 uren hardnekkig weerstand en sloeg menige aanval af, maar wat vermocht moed tegen technische overmacht? En het bittere noodlot wilde nog dat zweefvliegtuigen zich meester maakten van de bruggen te Veldwezelt en Vroenhoven, wijl het fort van Eben-Emael bij verrassing geneutraliseerd werd.
Franse eenheden snelden te hulp, maar reeds had de vijand de Maas bij Maastricht overgestoken en het hanaal bereikt. De Belgen leverden een hopeloze strijd om de bres te dichten. Zowel in Limburg als in de Ardennen eiste de verdediging van ons grondgebied ontzaglijke mensenoffers. Vlamingen en Walen vielen schouder aan schouder op het Veld van Eer.
In de avond van 10 mei werd een bres geslagen bij het fort van Eben-Emael, waardoor de pantsers doordrongen.