113
MEIDAGEN IN HET ZUIDOOSTEN VAN HET HAGELAND
Het ligt niet in onze bedoeling om al de ellende en mizerie van toendertijd op te rakelen, maar toch willen we een stukje van de toestand van de kleine mens in dit groot wereldgebeuren weergeven.
De voorgeschiedenis van deze meidagen laat vooral in het oude Neer- en Drieslinter heel wat herinneringen na.
1938 en 1939 kende de mobilizaties. Zowat overal in de streek werden de legerafdelingen bij de burgers of in grote tenten gelegerd. Zoutleeuw kreeg ook een legereenheid op bezoek. Die bivakkeerde op de Grote Markt tussen de historische Sint-Leonarduskerk en de monumentale gebouwen die het plein nu nog sieren.
Dat deed Charles Peeters, uitgever van het weekblad De Leeuwenaar, begin september '39 schrijven dat het een schande was om daar legertenten op te slaan midden in dit kunstpatrimonium met een duidelijke vraag wanneer nu ook soldaten op de Grote Markt te Brussel gingen bivakkeren.
Voor de soldaten zelf was het leven niet zo ondraaglijk. Het "Breicomité van Dames en Juffrouwen van Zoutleeuw" zorgde ervoor dat iedere piot een gebreide bivakmuts kreeg om de winter '39 door te komen. Later begon men aan de knielappen. Ook werden 21 kisten appelen en 17 fr, geschonken aan de daar gelegerde eenheid, zo meldt ons De Leeuwenaar van einde oktober.
Neerlinter kreeg het 11de linieregiment en Drieslinter kreeg zijn Ponteniers over de vloer. Dit regiment, te vergelijken met de huidige genietroepen, lag in Burcht gekazerneerd en werd naar de Getevallei gestuurd om, de heroische strijd bij de IJzer van 14-18 indachtig, een waterverdedigingslinie aan te leggen. Het ganse gebied tussen Tienen en Halen kon gemakkelijk blank worden gezet door in het Tiense en te Oplinter de sluizen open te draaien. De Ponteniers hadden de "Retse" reeds laten onderlopen, maar zorgden ervoor dat aan "de Congo" de weg van Drieslinter naar Zoutleeuw of Melkwezer openbleef. Met "vaderlanderkes" werd de doorgang verzekerd.
Toen de vijand België binnenviel, kreeg de toenmalige burgervader van Drieslinter, Hubert Lindekens, de dringende aanmaning om zijn gemeente te laten evacueren, De militaire overheid was zich terdege bewust van de "grote" verdedigingslinie die de Gete zou worden. Niets was minder waar, want de oprukkende Duitse troepen maakten een ommetje via de steenweg Sint-Truiden - Tienen of via Halen - Diest om zo Leuven te bereiken.
| (1) | Laag gelegen weilanden afgezoomd met bomen in de Getevallei tussen Drieslinter en Helen-Bos. |
| (2) | Kruispunt waar de weg van Drieslinter zich splitst naar Melkwezer of Zoutleeuw, genoemd naar een toenmalige herberg daar gelegen. |
114
De aftocht van onze troepen werd een feit en de burgerbevolking van Drieslinter vluchtte van de Getelijn weg naar de Heide, Hoeleden of Ransberg. Neerlinter geraakte ook in paniek. Augustus 1914 indachtig toen niet minder dan 76 huizen afgebrand werden door de vijand, besloot de bevolking te vertrekken. Het evacueren van "den Dries" zal daar ook niet vreemd aan geweest zijn. Enkelen vonden de buurdorpen ver genoeg en logeerden daar bij familie of kennissen. Anderen trokken Vlaanderen tegemoet en belandden via Frans-Vlaanderen in Normandië. Enkele jongeren deden zelfs de uitstap van hun leven naar het zuiden van Frankrijk. Maar snel kwam men tot de vaststelling dat de vlucht sleclits een verplaatsen van het probleem was en men keerde terug. Soldaten, achtergebleven of voorbijtrekkende burgers hadden zich te goed gedaan aan de resterende voorraden. Heel wat inwoners vonden de stal leeg, huisraad en winkelvoorraden waren verdwenen, doch men was weer thuis. Rond juni hervatte het dorpsleven zijn gewone trant, men paste zich aan de bezetter aan, aan de toonbank werd een pint bier gedronken en velden en tuinen gaven gul de nodige voedingsmiddelen.
Een detail nog : in die meidagen was pastoor Lambrechts zieleherder te Neerlinter. Omwille van zijn eminente kennis van de Duitse taal noemde men hem sedert jaar en dag 'het Duitske' . Jarenlang had hij aan het St.-Jan Berchmanscollege te Antwerpen Goethe en Schiller gedoceerd. Deze brave man wilde tot elke prijs kerk en pastorie gespaard zien en legde daarom zijn bureau vol met de nodige Duitse boeken en schriften. Zelfs Mein Kampf ontbrak niet.
Met de stellige overtuiging alles veilig te hebben gesteld,vertrok mijnheer pastoor naar Hoeleden net als de meeste van zijn parochianen. Maar het noodlot wou dat niet de Duitsers, maar wel terugtrekkende Engelsen het eerst de pastorie bezochten. Een aanhoudingsbevel tegen deze "spion" werd uitgevaardigd en men zocht en vond hem in zijn vluchtoord. Prompt werd hij aangehouden en enkel een bevriende Belgische kolonel, Van Gysel, zelf hier in de gemeente begraven, kon de "voorzienige" pastoor uit de gevangenis houden,
R. COUVREUR
Linter