Boek InfoVoorbladInhoudSchildersfamilie Matsijs Molenstede100 jaar geleden te DiestDennebos Kaggevinne 1585Schaliedekker H. GoelevenKerk Webbekom 1295Averbode Franse overheersingToneel St.-Catharina ScherpenheuvelCorrectieRijkswacht St.-Joris-WingeLedenlijstReclameTiense TentoonstellingscatalogiBriefdragersgezelschap DiestNoodgeld Oost-Brabant WO IDiest 100 jaar geledenCijnsboek van Binkom, Kiezegem, Kerkom en omgevingparochiegeschiedenis SchaffenVragenbusDiest 100 jaar geledenKeurboek Diest 1885Hagelandse woorden : Swen(s)t en swijlen(s)Herstellingswerken St.Sulpitiuskerk 1811Diesterse Volksmensen : "Lowiske Strik"Achterblad
Oostbrabant 1979-4
Oostbrabantse Werkgemeenschap

141

Bezittingen van de schildersfamilie Matsijs te Molenstede

Enige jaren geleden schreef A. De Laet dat de eerste echtgenote van de bekende schilder Quinten Metsijs of Massijs, Aleidis van Tuylt, goederen bezat te Wiekevorst en te Herenthout; hij verwees ook naar een verdeling van goederen op 15 augustus 1504, waarbij Aleydis de goederen te Wiekevorst verkreeg en haar broer Lambrecht van Tuylt de goederen onder de bank van Kaggevinne gelegen (1). De goederen van hun vader, die ook Lambrecht van Tuylt heette, werden toen verdeeld onder "lambrechte van tuyl" en "Alitten van tuyl, zynder zuster, met Quinten Matchys huere man"; nl. "allen huerlide goet van wickenvort ende oick van huerlide goiden te Reppele, met allen den chysgoeden onder de banck van kakeuin gelegen ... den vs. lambrechte geuallen zyn de vs, goide van Reppele, met den chysgoiden onder de banck van kakeuin gelegen; ende de vs. alitten, allen 't goet van wickenuorst" (2).
Het oude gehucht Reppel lag, zoals ik vroeger al geschreven heb, bij de huidige Reppelsebaan en dicht bij de dorpskom van Molenstede (3). Reeds in 1497 worden "achter die moelen te moelstee" bezittingen vermeld van "lambrecht van tuylt" (ARA, Rekenkamer 12622, 25v°). In 1503 heet de hoeve die toebehoorde aan "wylen lambrecht van tuylt" in de gichtregisters van de bank van Kaggevinne "t goet van reppele" en in 1504 "tgoet te reppele" (BS 336, 56 en 75v°). Het was blijkbaar de belangrijkste hoeve van het gehucht Reppel. Volgens de leenregisters van de heer van Diest erfde Lambrecht van Tuylt junior op 3 december 1521 van zijn zuster Aleydis alle leengoederen die deze na de dood van hun vader gekregen had (4). Hierbij moeten we opmerken dat Aleydis echter reeds omstreeks 1507 overleed (5).
Later werden de bezittingen, de hoeve met de erbij horende gronden, verdeeld. Op 17 februari 1575 werd een vierde deel ervan toegewezen aan "Anna van thuylt Lambrechts dochter wed. Mr. Jan massys alias Quintens Schilder in zijn Leuen woonende Tantwerpen" (BH 72, 116v°). Jan Matsijs, geboren omstreeks 1509 als zoon van Quinten Matsijs, uit diens tweede huwelijk met Katelijne Heyns, huwde met Anna van Tuylt, dochter van Lambrecht van Tuylt junior en nicht van de eerste vrouw van Quinten Matsijs (6). Het geheel

(1)
Verklaring: A. De Laet, Quinten Massys. Voorgeslacht, Leven en Kunst. in De Schakel IX, nr. 4, blz. 24.
(2)
BS 333, 87; met de afkorting BS duiden we aan; ARA, Schepengriffies van het arrondissement Leuven.
(3)
F. Claes, Het oude Kaggevinne, land van Diest, in Oost-Brabant 1 (1979), blz. 18.
(4)
BH 67, 65; met de afkorting BH duiden we aan: ARA, Stad en Heren van Diest.
(5)
A. von Wurzbach, Niederländisches Künstler-Lexikon. II, 1911, blz. 112.
(6)
E. Bénézit, Dictionnaire critique et documentaire des peintres, sculpteurs, dessinateurs et graveurs. VI, 1960, blz. 83; A. von Wurzbach, a.w., II, blz. 113

142
van de bezittingen waarvan Anna van Tuylt in 1575 een vierde deel kreeg, wordt "eenen bloke lants tot moelstede" genoemd, veertien bunder en een zil groot
(7), gelegen ten westen van "sheeren straete" en ten oosten van de "Ruysbroeckstraete" (BH 72, 117) (in 1779 wordt gezegd ten noorden van de "Ruysbroeckstraete", BH 81, 224). Vermoedelijk is "sheeren straete" de huidige Reppelsebaan en de "Ruysbroeckstrate" de huidige Beemdenweg; het toponiem Ruisbroek ("Ruysbroeck" of "Ruysselbroeck") wordt o.a. in 1569 vermeld als gelegen "te moelste achter de molen" en bij "het craenryclc ende de beke" (BS 2279, 89v°) en in 1785 als gelegen ten noorden van de beek (BS 376, 45).
In de akte van 1575 wordt ook Quinten Matsijs junior, een zoon van Jan Matsijs, vermeld: "Quinten massys alias quintens mr. Janssone daer moeder aff is Anna van thuylt" (BH 72, 118). Deze Quinten junior, die evenals zijn vader en zijn grootvader schilder was, werd geboren in 1543 en overleed in 1589 te Frankfort a.M. (8). Een jaar later, in 1590, wordt hij echter in de gichtregisters van de meierij Kaggevinne nog vermeld als eigenaar van "sekere lanthuys ofte pachthoeffue... gestaen ende gelegen onder Caggeuin tot molenstede geheeten het riddersgoet wylen toebehoirt hebbende lambrechten van tuijlt ende naer hem Jannen massys met anna van tuylt"; deze hoeve, blijkbaar dezelfde als "het goed van Reppel", werd toen verhuurd aan een zekere Lucas Claes (BS 343, 40v°). De naam Riddersgoed wijst wel op de voorname stand van de eigenaars van de hoeve.
In 1601, na de dood van Anna van Tuylt, gaat de hoeve met de erbij horende grond, "die winninge te muelstede met huijs ende hoff ende vierthien boenderen ende een zille eruen", over op "Quinten massijs ontrent 12 J, franchoissens sone daer moeder aff is magdalena virate Italiana" (BH 75, 8v°); vermoedelijk is deze derde Quinten Matsijs een kleinzoon van Jan Matsys, nl. door diens zoon Francion, die goudsmid was te Antwerpen (9). De volgende jaren worden nog leden van de familie Matsijs, vermoedelijk ook kinderen en aangetrouwde kinderen van Francion, vermeld als eigenaars van een deel van dezelfde bezittingen: in 1608 "Jan herbach wettich man van margriete massys ... huys ende hoff ... gestaen ende gelegen tot molenstede beneden, die hoeue van thuylt genaemt" (B5 343, 251), in 1609 weer "Jan van horenbach (10) inwoonder van

(7)
Verklaring: 1 zil - 32 a en 1 bunder - 4 zil in de omgeving van Diest, zodat de totale oppervlakte van deze bezittingen 18 ha 24 a bedroeg.
(8)
E. Bénézit, a.w., VI, blz. 84; A. von Wurzbach, a.w. II, blz. 120, en III, blz. 115.
(9)
A. von Wurzbach, a.w., II, blz. 120.
(10)
Dit is duidelijk dezelfde persoon als Jan herbach: vreemde namen werden vroeger vaak zeer verschillend geschreven. Ook van de familienaam Matsijs stond de spelling niet vast: in de akten van de bank van Kaggevinne en in de leenboeken van de heer van Diest luidt de naam vrijwel altijd Massys of Massijs, maar bij de eerste vermelding is het Matchys. Ik merk op dat er enige keren "alias Quintens" aan wordt toegevoegd, naar de eerste bekende schilder uit de familie.

143
franckvoort ... magriet massijs syne huijsvrou ... magriet massys franchoijssens dochter" (BH 75, 94v° - 95) en in 1616 "franchoys massys 24 J. frans sonedaer moeder aff was magdalena virate ... lucas debrinck als man van suluiana massys" (BH 75, 152v°).
Tot in 1775 hebben we de "hoeve van Tuylt", genoemd naar Lambrecht van Tuylt, zwager van Quinten Matsijs, nog vermeld gevonden. In 1659 hoorden delen ervan toe aan Peter van Loevelt, Jan van Losvelt, Willem Cuypers, de man van Maria van Losvelt, en Jan Gijbels, de zoon van Anna van Losvelt (BH 77, 68v° - 69). De hoeve zelf, "seker huijs metten hoff groot ontrent een halff bunder ... genaempt de hoeve tot thelt", gelegen tegen de beek, vinden we nog vermeld in 1720 (BS 362, 71v°) en ook in 1795, maar dan worden "seker huijs ende hof, groot ontrent een half boinder", tegen de beek, alleen nog "de hoeve" genoemd; in dit laatste jaar hoorde ze toe aan Joannes Peeters uit Molenstede (BS 378, 87v°). Het is echter niet duidelijk of deze hoeve nog op juist dezelfde plaats stond als in de zestiende eeuw. De naam "hoeve van Thuilt" komt in 1779 nog voor. wanneer gezegd wordt dat Joannes Peeters drie bunder land en wei uit deze hoeve bezit (BH 81, 224-225).
De ontdekking dat de bekende schildersfamilie Matsijs een hoeve en grond heeft bezeten in onze streek toont eens te meer aan dat het onderzoek van archiefstukken nog opmerkelijke resultaten kan opleveren.
F. CLAES S.J.