1
Diesterse volksmensen : Feleciën en Netteke de Stoop
Wie was het eerste Diesterse volkstype ? Was het de nar van de Baanderheren van Diest, die rond het jaar duizend in de burcht op de Warandeheuvel verbleven ? Was het TIELEBUIS, die vrolijke Diestenaar, nu het symbool van de karnavalvieringen in onze stad?
In de loop van de 19de en 20ste eeuw was Diest rijk aan typische figuren, mensen uit het volk. Om er enkele te noemen : Sjaorel Vissers, Brût, Lo starekiek, Mieke blik, Belle met zijn schacht, To klodder, de Ses, Seljengske, Netteke de stoop, en nog vele andere.
Nu hebben wij Fileciën, een brave ziel, die bekend is zowel binnen als buiten de stad. Fileciën is een rasechte Diestenaar, hij zag het levenslicht op 22 oktober 1902 als achtste kind in een groot gezin. Hij liep school bij de "Erremisters" tot zijn elfde jaar. Toen was de tijd gekomen om te gaan werken. Fileciën kan lezen noch schrijven, maar een gedicht dat hij op school leerde, is hem altijd bijgebleven. Hier gaat het :
De Mus en het Paard.
Paardje, uw krib zit boordevol
en mijn buik is leeg en hol,
mag ik ook een hapje of twee.
"Hé, jawel mus, eet maar mee
pik maar toe, zoveel ge kunt
het is U van harte gegund".
De mus was bijzonder in zijn schik
en bedankte het paard voor 't onthaal.
"Maar vertel mij", vroeg ze toen,
"kan ik voor U ook iets doen,
want ik zie gij hebt verdriet,
zelfs het eten smaakt U niet".
"Ach", zei het paard, "er zitten
wel honderd vliegen op mijn vel,
het is zelfs niet om uit te staan,
zoveel pijn doen zij mij aan".
"Zo", zegde de mus, "is het anders niet
ik weet wel raad voor dat verdriet".
De mus vloog over het paard zijn kop
en at al de vliegen op.
Van zijn moeder, die ook ongeletterd was, leerde Feleciën verschillende echte volksliedjes. Zijn moeder zong deze liedjes bij haar huiselijk werk. Met krassende stem droeg Feleciën mij een paar liedjes voor.
| (1) | VERKLARING : De Armenschool, later Gemeentelijke Jongensschool, in de gebouwen is nu de Rijkstechnische School ondergebracht. |
2
Het Ventje
Ik zijn bekend van groot en klein,
omdat ik zo een leuk ventje zijn
en op het dorp en op het kantoor
noemen ze mij "De Komieke-oor".
Ziet dat ventje nu maar wandelen gaan,
hij heeft zijn hoedje en frakske aan,
hij die is zo charmant en altijd braaf,
een jas mee een slippeke
gelijk een tippeke
en zo loopt hij langs de straat.
Mijn Moeder
En mijn Moeder staat altijd in mijne biamie ,
maar haar vergeten zal ik niet,
een man kan zonder vrouw niet leven,
dan moet er zijn een vrouw in huis.
Je kan mijn vaders vrouw wel zijn,
maar een tweede moeder kan je niet zijn,
want in mijn hart is er geen plaats te vinden
om een tweede moeder te beminnen.
Nooit of nooit zal ik de mijne vergeten,
ik ben daarom niet boos op U,
wil het mij dan toch vergeven,
ik ben toch maar een kleine deugeniet
en al is mijn hartje dan nog zo klein,
er kan geen plaats voor twee moeders zijn.
Feleciën beweert een afstammeling te zijn van de Baanderheren Diest. Bewijzen kan hij het niet, maar de familieoverleveringen vertellen dat het waar zou zijn.
Toen Fileciën naar de school ging bij de "Erremisters", kreeg hij soms van zijn moeder een cent of een halfke om snoep te kopen in het winkeltje bij Mie Verleenen. Voor een cent kreeg hij een koeke-manneke, een boere-sjik of een horentje met zuur poeder gevuld. Als Fileciën met moeder mee naar de woensdagmarkt ging, hij zijn ogen en oren de kost ; snel leerden de marktkramers deze guitige knaap kennen. Stonden de Diesterse zandboeren op de markt met hun "stootkar" vol met "witte zand", dan zongen de kinderen "Zand, zand, schone witte zand, vijftien cent de mand, en al de meisjes dragen ene strik, een schone witte strik".
Aan de kraam van "Kante-Marie", werd kant en broderie verkocht, Kante-Marie prees haar waren aan met het liedje : "Wie wil kant en broderiee, het goed is versleten, maar de kant nog niet",
| (2) | Biamie, is mogelijk, a) In mijn gedachten, b) In mijn hart. |
| (3) | Stoffen, lijnwaad enz. |
3
Eens bracht zijn moeder een vet gemest varken naar de markt om het te verkopen. Na lang bieden en prijzen, kreeg zij voor liet varken 7 stukken. Als men dan aan Fileciën vroeg, wat 7 stukken waard waren antwoordde hij fier : "Ewel, das vaaf en deertig frang"
Fileciën kende twaalf stielen en dertien ongelukken, toch is hij een gelukkig mens, hij woont in zijn eigen huizeke aan de Kaai, en voor de rest laat hij "Gods water over Gods akker lopen".
Als Fileciën over zijn tante "Netteke de stoop" begint te vertellen, dan speelt er een glimlach om zijn mond. Zijn Tante Netteke was een echt "Nobleske", zegt hij . Netteke de stoop was een zeer gekend volksvrouwtje, zij was klein van gestalte, ongeveer 1,50 meter, was nors van uitzicht, rad van tong en droeg het haar in een dot gevlochten op het hoofd. Hoe Netteke aan haar bijnaam geraakte, is zeer simpel. Toen zij geboren werd, was het zo een klein miezerig boorlingske, dat haar moeder uitriep :"Ocharme, ons Netteke is niet groter dan een stoopje genever "Het bleef "Netteke de stoop" en die naam zou ze haar ganse leven meedragen.
De Diesterse jeugd plaagde al te graag Netteke en zag men haar in de stad, dan riepen de kinderen haar na : Netteke de stoop, gij vuile hoop", Netteke antwoordde ras : "As ich zen zwet, dan zen ich nog Net, want mane naom da es NET". Werd er geroepen : "Net, uwe rok is aan een kant te lang", het antwoord volgde spoedig : "Ich zal aon den andere kant er toeng nao-ewe, dan zen de kante eve lank". Dikwijls werd haar het volgende gevraagd "Net, wat hebt ge in de kerk gedaan ?", en zij kaatste de bal dan vliegensvlug terug :"Et es beter ne kerkschaater te zen, dan enne kerkdief".
Een liedje dat zijn Tante Netteke zelf gemaakt had, wil hij voor mij zingen. Het gaat over een jonge man die met haar wilde vrijen, maar Netteke was van oordeel dat hij nog te jong en te klein was. Deze jonge man droeg de bijnaam "'t Scheperke" en was een zeer typische figuur in onze stad.
ICH ZEN ACHTIEN JAOR.
Moeder, ich zen achtien jaor,
achtien jaor zen ich na,
zen da na gien plezante daoge
veur maan kongéke aon te vraoge,
want 't Scheperke, 't Scheperke, troe-la-la,
want 't Scheperke, 't Scheperke, troe-la-la,
ich zal et gaon vraoge,
ich zal et gaan vraoge,
ich zal et gaon vraoge aon ule papa.
De moeder van het " 't Scheperke" noemde men "Roos Commerce". Zij was lang en mager, droeg steeds een zwart kleed, en op het hoofd een zwarte kanten muts. Die muts was er steeds, maar van de kant was er niets meer te bespeuren, en zonder muts kwam Roos Commerce nooit op straat.
| 4 | Edel, humaan |
| (5) | Vroeger werd de genever in een aarden fles verkocht, dat men een stoopje noemde. |
4
Voor Netteke de stoop was Allerheiligenbegankenis op 1 november de HOOGDAG van het jaar. Reeds vroeg in de morgen stond zij reeds klaar op de Allerheiligenberg, met haar tafeltje vol met ex-voto's. Deze ex-voto's zijn beeldjes en figuurtjes gemaakt van kaarsvet, die allerlei zaken voorstellen, o.a. een mond vol tanden, koeien en kalveren, een hoofd, een been, een arm enz.. De bedevaarders offerden deze ex-voto's in de Kapel van Allerheiligen, om een genezing, voorspoed op de boerderij of dergelijke af te smeken.
Om de bedevaarders aan te zetten tot het kopen van ex-voto's had haar eigen rijmpje :
"Alleé minse, wilder iet mee draoge
vor in de Kapel te offere,
kom ins zien, kom ich zal et gooi-e koo-ep
aondant doen, van e groo-et komt er e klaan
en ich zal et zelf naor omhoo-eg draoge".
Een geduchte konkurrente van Netteke de stoop was "Marjan de beer",
die naast Netteke haar tafeltje opstelde met ex-voto's. Meermaals vielen er tussen de twee scheldwoorden en als Netteke het niet meer aankon, zong zij het volgende scheldrijmpje :
"Marjan de beir, spelt nog en air, et es misschin er leste".
Dit was te veel voor Marjan, dan draaide zij zich met de rug naar Netteke, en dat was zoveel als : "Ich hem me ha gin affeeres ne mie-e"
Diest, september 1977.
Frans LOIX
Bijlage : "Netteke de stoop", alias Maria Joanna VAN DIEST, leefde van 23 oktober 1864 tot 13 februari 1935.
Netteke bereikte de gezegende ouderdom van 70 jaar, 3 maand en 22 dagen.