* Kerk van O. L. Vrouw-Ten-Predikheren
Voormalige kloosterkerk der Dominicanen, gebouwd op een Dijle-eiland, ter plaatse van het tweede kasteel der hertogen van Brabant. Eerste gotisch gebouw te Leuven.
Eenvoudige plattegrond: middenbeuk gescheiden van de zijbeuken door twee zuilenrijen, bekroond met knoppenkapitelen van Doornikse oorsprong; ietwat verwijdende oosterabsis (zeven zijden van een dodecagoon zoals die van de predikherenkerk te Keulen van ca. 1245, met gelijkaardige opstand en architectonische versiering); transept noch klokketoren, zoals de regel van armoede der bedelorden voorschrijft (fig. XXVI).
Na hertogelijke goedkeuring in 1233 werd de eerste bouwcampagne voltooid in 1276 (inwijding der altaren) : oprichting van het koor en de eerste vier traveeën van het schip, overkluizing met kruisribgewelven, in evenwicht gehouden door steunberen rondom het koor en luchtbogen langs het schip; oorspronkelijke venstertracering bewaard in de meeste bovenlichten o.m. in de slanke spitsboogvensters van het koor; verfijnde versiering; enkele vooruitstrevende elementen zoals de hoogste kapitelen, opgesmukt met blad- en loofwerk; ook minder geëvolueerde knoppenkapitelen als bekroning van de zuilen van het schip. Tweede bouwcampagne van 1531 af: verlenging van het schip met vier traveeën; noordkant alleen voorzien van eenvoudige steunberen; de vensters van het middenschip zijn minder hoog dan die van het oostelijke deel; de gootsmuren zelf zijn hier 3,80 m laag; westelijk deel van het geboUW niet voorzien van een stenen overkluizing doch overdekt met een schijnkruisribgewelf van pleisterwerk op een houten ton; westgevel versterkt door vier steunberen en verlicht door een groot glasraam met prachtig traceerwerk (heden dichtgemetseld). Huidig gewelf der zijbeuken uit 1733.
Inwendige modernisering van de kerk in 1763-1764 door N. Corthout; wanden voorzien van stucwerkversiering, met o.m. een reeks medaillons met afbeelding van de heiligen uit de orde. Toevoeging van het nood portaal, gedateerd 1767.
Middeleeuwse sacristie, aanleunend tegen de laatste zuidertraveeën; vierkante ruimte overdekt met vier gewelven die in het midden rusten op een vrij dunne zuil; dit is het enige bewaard gebleven deel van het klooster; verd. van de sacristie en haar verlengde verlicht door lancetvensters.
Restauratie aan de gang (R. Vandendael en R.M. Lemaire) (fig. 125).