218
* St.-pieterskerk (decanale, voorheen collegiale kerk)
Waarschijnlijk het meesterwerk van de Brabantse gotiek; opgetrokken in het centrum van de stad, tegenover het gelijktijdig gebouwde stadhuis, op het kruispunt van het oude wegennet. Tot ca. 1913 werden de oude koorsluiting en de zuidgevelomgord door schilderachtige huisjes uit XVII, die het gebouw zijn werkelijke schaal verleenden. Drie traveeën lang koor, omringd door een deambulatorium waarop zeven transkapellen, opgevat als ondiepe oratoria tussen de steunberen uitkomen; vooruitspringende dwarsbeuk, aan de noordzijde geflankeerd door een traptorentje en de kapittelzaal; zuiderkruisarm met groot onafgewerkt portaal aan de marktzijde; vijf traveeën lang driebeukig schip geritmeerd door pijlers; zijkapellen ingewerkt tussen de zware basissen der steunberen van het schip; zwaar, rechth. westerblok (fig. XXIII).
Kerk vóór het jaar 1000 gesticht (misschien door graaf Lambrecht met de Baard); in 1504 tot seculier kapittel verheven. Eerste, bekende brand in 1176; twaalf jaar later, inwijding van een altaar door de aartsbisschop van Keulen; ca. 1373, werd de kerk opnieuw door een brand getroffen; in 1381, werd de oorspronkelijke westbouw voorzien van een houten bekroning, die in 1458 in de vlammen opging en volledig afgebroken werd in 1500. Van XV b af, geleidelijke afbraak van het Romaans gebouw dat vervangen werd door het huidige.
Romaanse kerk, vrij grondig opgegraven in 1956: pijlerbasiliek oorspronkelijk niet voorzien van een dwarspand en uitlopend op een vierkant koor, geflankeerd door twee absidiolen. Westerblok (waarschijnlijk uitgebeeld op het Leuvens Schepenzegel van XII) : rechth. massief, geflankeerd door twee torentjes (cf. O. L. Vrouwekerk van Maastricht). Ten oosten, cirkelvormige krocht (misschien het mausoleum van de graven van Brabant); achthoekige kern gemarkeerd door een centrale zuil waarop de gewelven der omringende gangen rustten; aan de oostzijde, drie overwelfde absidiolen (het oorspronkelijke altaar is bewaard gebleven in de middelste); aan de westzijde, een nis overdekt met een tongewelf en uitgespaard in de dikte van de koorsluitingsmuur. Deze krocht, oorspronkelijk misschien twee verd. hoog, was een bijgebouw (altaar gewijd aan St.-Jan-de-Doper, vermeld in 1164?) (fig. 121).
Wederopbouw reeds begonnen vóór 1409-1410; algemeen plan en opzet volledig nagevolgd gedurende de hele bouwcampagne. Zeer homogene en zuivere architectuur, aangekondigd in de St.-Romboutskerk te Mechelen: typische kenmerken van de Brabantse gotiek.
Ca. 1430 was het werk aan het koor reeds ver gevorderd (onder leiding van S. van Vorst): contract voor de dakbedekking en begin van de overwelving: 1434; opbouw van de rechterkoortraveeën tijdens XV b: in 1441, inwijding van het koor; koorbanken geplaatst in 1442; glasramen in 1448.
Transept uitgevoerd onder leiding van Jan Keldermans en Mathieu de LayenS; onder dak in 1457 en overwelfd in 1475; aan de zijde van het stadhuis groot, doch onafgewerkt portaal, in 1497 aangezet naar ontwerp van Alard Duhamel (of van Hameel ?).
Het oostelijke gedeelte van het schip werd samen met de transeptarmen begonnen en voortgezet tijdens het laatste kwart van de eeuw; in 1507 aanvang van het werk aan het westerblok en de aanleunende laatste twee traveeën van het schip. In 1460 had M. de Layens te kampen met het probleem van de toren; opdracht voor een nieuw ontwerp door de stad toevertrouwd aan Josse Metsys : tekening bewaard in het Stedelijk Museum en maquette heden in de zuidertranseptarm opgesteld. De alleen bewaarde, brede onderbouw zou de basis gevormd hebben voor drie hoge torens (middelste 165 m); geleidelijk moest afgezien worden van dit stoutmoedige ontwerp o.m. omwille van de slechte bodemgesteldheid, technische moeilijkheden, een aardbeving (in 1750 nog); instorting en vernieuwing van de aanpalende traveeën in de zuidzijbeuk
 |
|
Pl. VII. LEUVEN. St.-Pieterskerk (XV). Binnenzicht naa het westen
|
220
221
 |
|
121. LEUVEN. St.-Pieterskerk. Opgraving van de oosterkrocht van het westen
|
kort nadien. Vergeefse uitvoeringspogingen, vnl. in XVII (pl. VII). Restauratie gedurende ongeveer een eeuw: westerblok haast volledig vernieuwd door E. Lavergne (1851-1867);
koor door P. Langerock (1890-1914); algehele restauratie door Goovaerts (1924-1930); na de zware beschadiging tijdens de tweede oorlog, door F. en R. Vandendael en R. en R. M. Lemaire (1945-1963) .